Na veertig jaar vriendschap zei ik voor het eerst nee – en ik weet nog steeds niet of ik daar goed aan deed
‘Twee keer per week?’ herhaalde Anja, en ze zette haar leesbril af alsof ze me niet goed verstaan had. ‘Na alles wat we samen hebben meegemaakt?’ Ik voelde mijn wangen warm worden. Tegenover haar zat Kees in zijn stoel bij het raam, zichtbaar afgevallen, een plaid over zijn knieën, zijn mond halfopen van vermoeidheid. Mijn man Rob keek naar zijn handen. Niemand zei iets. Alleen de waterkoker sloeg af in de keuken.
We kennen Anja en Kees sinds begin jaren tachtig. Eerst via de camping in Ommen, later werden het verjaardagen, Sinterklaasavonden, oppassen op elkaars kinderen, helpen bij verhuizingen, en de laatste jaren iedere woensdag wandelen en op zaterdag om de beurt eten. Het soort vriendschap waarbij je elkaars koelkast open mag trekken en weet waar de koffiefilters liggen.
Toen Kees vorig najaar ziek werd, ging het eerst nog redelijk. Onderzoeken, ziekenhuis in Zwolle, weer naar huis, goede en slechte dagen. Anja bleef zeggen: ‘We redden ons wel. Ik wil hier geen wildvreemden over de vloer.’ Kees zei het nog stelliger: ‘Geen thuiszorg. Geen gedoe. Wij lossen het samen op.’ Dat klonk toen nog koppig, maar ook als iets wat bij hen paste. Ze zijn altijd trots en zelfstandig geweest.
Dus gingen wij helpen. Eerst logisch: een pan erwtensoep brengen, even stofzuigen, Kees naar de poli rijden als Anja te moe was. Daarna werd het dagelijks. Boodschappen, bed verschonen, wassen draaien, medicijnen ophalen, formulierengedoe met de zorgverzekering, mee naar de huisarts, blijven zitten als Anja eindelijk boven een uurtje ging liggen. Soms belde ze om half acht ’s ochtends al. ‘Rob, zou jij even kunnen komen? Hij wil mij niet laten helpen met douchen.’ Of: ‘Ik trek het vandaag gewoon niet.’
En eerlijk: hoe zeg je dan nee tegen mensen die al veertig jaar in je leven zitten?
In het begin voelde het bijna vanzelfsprekend. Je helpt elkaar. Zo zijn wij ook opgevoed. Maar ergens na Nieuwjaar merkte ik dat ons eigen leven begon te verdwijnen. We waren net een paar maanden met pensioen. Rob had het steeds over een paar dagen fietsen in Drenthe, ik wilde eindelijk een cursus aquarellen doen in het buurthuis. In plaats daarvan stonden we bijna elke dag in hun rijtjeshuis in Meppel. Onze agenda draaide om hun pillenschema en slechte nachten.
Thuis werden wij kortaf tegen elkaar. ‘Heb jij de was al gedaan?’ vroeg ik dan. ‘Welke was?’ zei Rob geïrriteerd. ‘Die van ons of die van hen?’ Dat soort zinnen. Niet fraai, maar wel de waarheid.
Onze dochter zei op een avond aan de telefoon: ‘Mam, jullie zijn mantelzorg aan het doen zonder dat iemand het zo noemt.’ Ik schoot meteen in de verdediging. ‘Het zijn onze beste vrienden.’ Zij bleef stil en zei toen: ‘Juist daarom moet je oppassen. Anders hou je straks niemand meer over, inclusief jezelf.’
De wijkverpleegkundige had via de huisarts al eens contact gezocht, maar Anja wilde er niets van weten. ‘Dan heb ik straks iedere keer een ander aan mijn bed. Mensen die hier binnenkomen en alles overnemen. Nee bedankt.’ Ik snapte haar ergens wel. Maar ik zag ook hoe ze trilde als ze thee inschonk, hoe ze vergat zelf te eten, hoe Kees steeds zwaarder werd om te helpen uit bed.
Op een maandagmiddag zat ik met Rob aan onze eigen keukentafel, allebei moe, allebei zwijgend. De afwas stond er nog van de dag ervoor. Rob zei: ‘Het gaat zo niet meer.’ Ik wist meteen dat hij gelijk had, en toch voelde het als verraad. We spraken af dat we het netjes zouden zeggen: dat we hen niet lieten vallen, maar dat dagelijks niet meer ging. Twee vaste dagen per week, en daarnaast helpen we met het regelen van professionele ondersteuning. Dat leek ons redelijk. Zorgzaam ook.
Maar zo kwam het dus niet aan.
‘Loyaliteit is blijkbaar ook maar iets voor de leuke tijden,’ zei Anja. Niet schreeuwend, juist zacht. Dat kwam harder aan. Ik zei: ‘Dat is niet eerlijk. We zijn er al maanden bijna elke dag.’
‘Omdat het nodig is,’ zei ze. ‘Denk je dat ik dit voor mijn plezier vraag?’
Kees draaide zijn hoofd naar ons toe. ‘Laat maar, An. Als mensen niet willen, moet je niet bedelen.’ Dat was misschien nog het pijnlijkst, omdat er vooral schaamte in zat.
Ik voelde me ineens klein en hard tegelijk. ‘Het gaat niet om niet willen,’ zei ik. ‘Het gaat om niet meer kunnen.’
Daarna was het stil. Een echte, nare stilte. Wij zijn na tien minuten weggegaan zonder koffie te drinken. Dat was in veertig jaar niet eerder gebeurd.
De weken erna werden vreemd. Anja appte kortaf. Soms helemaal niet. Uiteindelijk heeft hun huisarts toch meer druk gezet en kwam er thuiszorg, later ook dagopvang voor Kees. Niet omdat ze het ineens wilden, maar omdat het echt niet anders meer ging. Toen ik na een paar weken weer langsging, zag ik opluchting én gekrenktheid in Anja’s gezicht. Alsof ze nog steeds vond dat wij haar in de steek hadden gelaten, maar zelf ook wist dat ze het niet alleen kon.
Onze vriendschap is sindsdien anders. Minder vanzelfsprekend. Voorzichtiger. We wandelen niet meer elke woensdag. Soms drinken we koffie en praten we over vroeger, soms alleen over afspraken, hulpmiddelen en hoe de nacht is geweest. Ik mis de lichtheid van vroeger, en tegelijk ben ik ook opgelucht dat ik weer een middag thuis kan zijn zonder schuldgevoel.
Wat ik op mijn zestigste heb geleerd, is dat liefde en trouw niet betekenen dat je grenzeloos beschikbaar moet zijn. Maar ik heb ook geleerd dat een grens stellen nog steeds kan voelen als verlies, zelfs als die grens nodig is.
Ik vraag me nog vaak af of wij dit eerder anders hadden moeten aanpakken, of juist veel eerder duidelijk hadden moeten zijn. Hoe kijken jullie daarnaar: ben je als echte vriend verplicht om door te gaan zolang het nodig is, of mag vriendschap ophouden waar structurele zorg begint?