Nu de kinderen weg zijn, weet ik niet meer of wij elkaar nog echt hebben

‘Is dit het dan?’ flapte ik eruit, terwijl mijn man net zijn brood stond te smeren voor de late dienst.

Hij keek me aan alsof ik Chinees sprak. ‘Wat bedoel je nou weer?’

‘Dit. Wij. Dat we alleen nog bespreken wie de boodschappen doet en of de cv weer bijgevuld moet worden.’

Hij zuchtte meteen. ‘Het is kwart voor zes ’s ochtends.’

Ja, dat weet ik zelf ook wel. Maar ik had weer de halve nacht wakker gelegen. Sinds de jongste op kamers is in Groningen en de oudste samenwoont in Amersfoort, voelt ons rijtjeshuis in Almere ineens veel te groot en veel te stil. Jarenlang draaide alles om schooltijden, voetbal, studiedagen, ziek zijn, ophalen van station, ouderavonden, DUO, wasmanden, gezeur over lege melkpakken. En nu is het weg.

In het begin zei iedereen: ‘Heerlijk toch, tijd voor jezelf.’ Nou, ik vond het helemaal niet heerlijk. Ik liep na mijn werk bij de drogist automatisch nog langs de broodafdeling voor dingen die niemand meer at. Ik stond nog steeds op zaterdag om acht uur op, terwijl er niemand beneden kwam. Ik zette thee voor vier en gooide de helft weg.

Mijn man leek er veel minder moeite mee te hebben. Die ging gewoon werken, hardlopen, af en toe voetbal kijken bij een vriend, klaar. Ik nam hem dat kwalijk, al zei ik dat niet eerlijk. Ik dacht: hoe kun jij hier zo makkelijk doorheen gaan? Ben ik dan de enige die voelt dat er iets is verdwenen?

Maar ik was zelf ook niet handig. Ik ben minder uren gaan werken toen de kinderen klein waren, en daarna nooit meer echt opgebouwd. ‘Voor de rust thuis,’ zei ik altijd. Nu bleek dat thuis niet meer hetzelfde thuis was, en ineens wist ik niet meer goed wie ik was zonder dat geregel en gezorg.

Een paar weken geleden zei ik tegen hem: ‘We lijken wel huisgenoten.’

Hij antwoordde: ‘Dat maak jij er ook van.’

Dat kwam hard aan. Ik werd boos en zei: ‘Makkelijk praten als je altijd naar je werk kunt vluchten.’

Toen zei hij iets wat ik niet zag aankomen. ‘Vluchten? Ik draai extra diensten omdat jij al maanden overal doorheen hangt en we het financieel ook gewoon moeten redden.’

Dat vond ik gemeen, maar het was niet helemaal onwaar. Ik had me vaker ziek gemeld dan nodig was. Niet omdat ik echt iets mankeerde, maar omdat ik de fut niet had. Daardoor liep mijn inkomen terug. Ik had ook zonder overleg geld van onze spaarrekening gehaald voor nieuwe meubels in de woonkamer. Ik dacht: als het hier gezelliger wordt, gaan we ons ook beter voelen. Een andere bank, nieuwe lamp, kleed erbij. Hij kwam thuis, keek rond en zei alleen: ‘Hoeveel heeft dit gekost?’

Ik voelde me toen totaal niet gezien. Alsof hij niet snapte dat ik iets probeerde te redden.

Maar achteraf snap ik ook dat hij schrok. We sparen al jaren voor onderhoud aan het huis en een buffer, omdat alles duurder is geworden. Energie, boodschappen, zorgpremie, noem maar op.

De echte klap kwam toen ik op zijn tablet een mail zag van een collega. Niet eens iets heel ernstigs. Er stond: ‘Was fijn om nog even te praten in de auto. Jij snapt het tenminste.’ Met een smiley erachter.

Ik voelde meteen paniek. Ik heb hem die avond geconfronteerd.

‘Heb jij iets met haar?’ vroeg ik.

Hij legde zijn vork neer. ‘Nee. Maar ik praat wel met haar, ja.’

‘Over wat?’

‘Over thuis. Over jou soms. Omdat jij met mij niet meer praat, maar alleen nog verdrietig of boos bent.’

Dat deed pijn. Vooral omdat er ook iets waars in zat.

Ik zei: ‘Dus bij haar ben je gezellig en bij mij trek je je terug?’

Hij zei: ‘Nee, bij haar hoef ik niet op eieren te lopen.’

We hebben die avond harder en eerlijker gepraat dan in maanden. Niet netjes, niet rustig, gewoon eruit. Ik heb gezegd dat ik me overbodig voel sinds de kinderen weg zijn. Dat ik bang ben dat als ik niet meer nodig ben als moeder, ik voor hem ook minder belangrijk ben geworden. Dat klinkt misschien dramatisch, maar zo voelt het echt.

Toen zei hij iets waar ik stil van werd. ‘Ik ben jou niet kwijtgeraakt omdat de kinderen weg zijn. Ik ben jou al eerder een beetje kwijtgeraakt, omdat alles altijd om hen draaide. En nu ze weg zijn, merk jij pas hoe weinig er van ons over is.’

Dat was pijnlijk, maar ook niet uit de lucht gegrepen. Wij hebben jaren vooral gefunctioneerd. We deden wat moest. We regelden alles. Als hij voorstelde om samen een weekend weg te gaan, vond ik dat gedoe of zonde van het geld. Als hij wilde praten, zei ik vaak: ‘Nu even niet, ik ben moe.’ Ik dacht altijd dat dat later wel kwam.

Nou, later is dus nu.

Vorige week hebben we samen aan de keukentafel gezeten met agenda’s erbij. Klinkt totaal niet romantisch, maar wel typisch ons. We hebben gekeken naar geld, werk, vrije avonden, en ook gewoon uitgesproken dat het zo niet lekker loopt. Ik heb via de huisarts een afspraak gemaakt met de praktijkondersteuner, omdat ik merk dat ik vastloop in dat lege gevoel. En we hebben afgesproken om één avond in de week niet allebei op een scherm te zitten of apart iets te doen.

Maar eerlijk: ik weet nog steeds niet of dat genoeg is. Soms zitten we samen op de bank en voelt het alweer een beetje vertrouwd. En soms denk ik: misschien hield onze relatie vooral stand omdat we samen een taak hadden. Een gezin draaiende houden. En nu die hoofdtaak wegvalt, moeten we ineens ontdekken of we elkaar zelf nog wel leuk genoeg vinden.

Ik vind dat een confronterende gedachte, ook omdat ik zelf lang heb gedaan alsof er niks aan de hand was. Alsof het vanzelf goed zou komen als de rust eenmaal terugkeerde.

Misschien is dit gewoon een fase waar veel stellen doorheen gaan, maar het voelt op dit moment behoorlijk kaal. Ik ben benieuwd hoe anderen hiernaar kijken: kan een relatie echt opnieuw groeien als de gezamenlijke rol als ouders minder centraal wordt, of kom je dan soms pas achter wat er al langer miste?