Na veertig jaar vaste vrijdagavonden zei ik voor het eerst: ‘Ik kom niet als híj geen excuses maakt’
‘Dan ga jij toch alleen,’ zei ik tegen mijn man, terwijl ik de autosleutels weer op het kastje gooide. Mijn stem trilde harder dan ik wilde. ‘Ik ga niet weer een hele avond zitten luisteren naar wat ik wel en niet in mijn mond moet stoppen.’
Kees zuchtte op die manier die na veertig jaar huwelijk nog steeds meteen onder mijn huid kan kruipen. ‘An, doe nou niet zo moeilijk. Jan bedoelt het niet verkeerd.’
Dat was precies het probleem. Jan bedoelde het volgens zichzelf nooit verkeerd.
Wij hebben al bijna veertig jaar dezelfde vriendengroep. Ooit begonnen als jonge stellen in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kinderen die bij elkaar over de vloer kwamen, gezamenlijke barbecues in te kleine achtertuinen en later etentjes, wandelingen, oppasruil, begrafenissen, pensioenborrels. Elke vrijdagavond is eigenlijk heilig. Bij de een koffie, bij de ander een wijntje, soms kaarten, soms alleen praten. Niet groots, juist daarom waardevol.
Jan hoorde altijd bij de stabiele kern. Handig, aanwezig, iemand die de barbecue regelde als niemand initiatief nam. Maar sinds een jaar of twee is hij veranderd, of misschien zie ik het nu pas. Hij is helemaal in gezondheid gedoken. Intermittent fasting, koude douches, supplementen, stappen tellen, podcasts met artsen en goeroes. Prima, moet hij zelf weten. Alleen bleef het niet bij hemzelf.
Eerst waren het losse opmerkingen. ‘Moet jij nog een blokje kaas, An? Niet handig met je cholesterol.’ Dan lachte hij erbij, alsof het grappig was. De eerste keren lachte ik ook. Je wilt niet meteen de sfeer verpesten om zoiets. Daarna werd het meer. ‘Zou jij niet eens met krachttraining beginnen? Op jouw leeftijd is spiermassa echt belangrijk.’ Of, terwijl ik net een stuk appeltaart pakte: ‘Suiker is echt vergif hoor. Vooral voor vrouwen na de overgang.’
Ik voelde me dan geen vriendin meer, maar een project.
Een paar weken geleden, bij Els en Rob thuis, ging het mis. We zaten gewoon aan tafel. Er stonden stokbrood, kruidenboter, olijven, een quiche die Els had gemaakt. Heel normaal. Jan keek naar mijn bord en zei: ‘Anja, ik zeg het maar gewoon, want niemand anders durft het blijkbaar. Jij moet echt beter op jezelf letten. Je gezicht is zo opgezet de laatste tijd. Dat is ontsteking.’
Het werd zó stil dat ik de koelkast in de bijkeuken hoorde aanslaan.
Ik zei: ‘Jan, hou alsjeblieft op.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ja, zie je? Meteen defensief. Ik zeg het uit betrokkenheid.’
‘Nee,’ zei ik, en ik hoorde zelf dat ik rood werd. ‘Je zegt het omdat jij graag gehoord wordt. Ik heb je hier nooit om gevraagd.’
Els keek naar haar handen. Rob schonk wijn bij alsof dat iets kon redden. Mijn man legde zijn hand even op mijn arm, niet steunend maar sussend. Dat maakte me nog kwader.
Jan leunde achterover. ‘Nou, als je op deze leeftijd geen eerlijkheid meer aankunt, dan wordt het lastig. Jullie zijn wel heel gevoelig geworden met z’n allen.’
Daarna heb ik mijn jas gepakt en ben ik naar huis gelopen. Twintig minuten, motregen, zonder paraplu. Ik was 62 en voelde me weer dat meisje van zestien dat aan tafel werd terechtgewezen waar anderen bij zaten.
Thuis zei Kees: ‘Hij had het tactischer kunnen brengen, maar je weet hoe Jan is.’
Die zin heb ik inmiddels vaak gehoord. Je weet hoe Jan is. Alsof dat alles oplost. Alsof iemand veertig jaar lang vrijstelling krijgt omdat hij nu eenmaal zo is.
Ik heb Jan de volgende dag gebeld. Niet eens om ruzie te maken, maar omdat ik dacht: als we elkaar zo lang kennen, moeten we dit kunnen uitpraten.
Ik zei: ‘Jan, ik wil één ding duidelijk hebben. Bemoei je niet meer met mijn lichaam, mijn eten of mijn gezondheid, tenzij ik je om advies vraag.’
Hij bleef even stil en zei toen: ‘Wat een zwaar woord, bemoeien. Ik probeer je te helpen.’
‘Maar ik ervaar het niet als helpen.’
‘Dan ligt dat misschien ook een beetje bij jou.’
Ik voelde de deur dichtgaan terwijl we nog in gesprek waren. ‘Nee, Jan. Het ligt bij het feit dat jij mijn grens niet respecteert.’
Hij snoof. ‘Vroeger konden we tenminste nog wat van elkaar hebben.’
Sindsdien is het gedoe. Appjes in de groepsapp die opeens heel voorzichtig klinken. Els die me belt met: ‘Ik snap je echt hoor, maar het zou zo jammer zijn als de groep hierdoor uit elkaar valt.’ Rob die tegen Kees heeft gezegd dat mannen onder elkaar ook weleens hard zijn en dat het dan de volgende week weer overwaait. Maar ik bén geen van die mannen onder elkaar. En bovendien: dit waait al twee jaar niet over, omdat niemand er iets van zegt.
Kees zit er tussenin. Dat snap ik ook wel. Jan is al sinds hun studententijd zijn vriend. Ze hebben samen verhuisd, geklust, een keer in de sneeuw vastgestaan op weg naar Oostenrijk, dat soort geschiedenis. Voor Kees voelt mijn weigering om vrijdag te gaan als een aanval op iets groters. Gisteravond zei hij: ‘Moet alles nou op excuses hangen? Kan je niet gewoon gaan en het laten rusten?’
Ik zei: ‘Voor jou is het laten rusten. Voor mij is het slikken.’
Daar werd hij stil van.
Het lastige is: ik mis die avonden ook. Ik mis Els haar slordige borrelplanken, Robs flauwe grappen, het gevoel dat je ergens al decennia vanzelfsprekend bij hoort. Ik heb echt wakker gelegen met de vraag of ik koppig ben. Of ik een hele sociale structuur op het spel zet om iets wat anderen “een paar opmerkingen” vinden.
Maar als ik eerlijk ben, gaat het niet meer alleen over Jan. Het gaat er ook over dat ik zelf veel te lang heb meegewerkt aan mijn eigen verkleining, omdat ik aardig gevonden wilde worden en de boel gezellig wilde houden. Dat herken ik pas nu. Ik heb zo vaak gelachen om dingen die me eigenlijk raakten.
Vanmorgen heb ik in de groepsapp gezet: ‘Ik kom vrijdag niet. Als Jan wil praten en kan erkennen dat hij mijn grens is overgegaan, sta ik daarvoor open. Anders nog even niet.’ Ik heb drie keer opnieuw getypt voordat ik op verzenden drukte.
Jan heeft nog niet gereageerd. Els stuurde een hartje. Rob een duim. Kees zei alleen: ‘Nou, het is duidelijk.’ Ik weet nog steeds niet of dit het begin van een breuk is of eindelijk het begin van eerlijker contact.
Wat ik wel weet, is dat vrede bewaren me te lang meer heeft gekost dan ik wilde toegeven. Misschien is harmonie die alleen blijft bestaan als één iemand zichzelf inslikt, helemaal geen echte harmonie.
Zouden jullie na zo’n lange vriendschap je grens hard trekken, of zou je het laten gaan om de groep te behouden?