‘Moeten wij nu ons hele leven aanpassen?’: hoe een vriendschap van dertig jaar begon te schuren toen niets meer vanzelf ging
‘Dus jullie gaan dan gewoon met z’n tweeën?’ vroeg Kees, terwijl hij zijn koffiekopje met twee handen vasthield. Ik zag dat zijn knokkels wit werden. Mijn man Hans keek naar de tafel. Ik voelde meteen die bekende spanning in mijn buik, omdat ik wist waar dit heen ging. We zaten gewoon bij ons in de keuken in Amersfoort, appelcake erbij, regen tegen het raam, en toch voelde het alsof er iets groots kapot aan het gaan was.
Kees en Marjan zijn al meer dan dertig jaar onze vrienden. We leerden elkaar kennen via een wandelgroep van de Nivon, later gingen we samen naar musea, weekendjes naar Maastricht, een keer een kleine vakantie in Drenthe. Altijd veel lopen, ergens koffie, broodje kroket, beetje mopperen op het weer, dat soort dingen. Het was nooit ingewikkeld.
Tot de laatste twee jaar. Kees kreeg last van zijn heupen en daarna ook van zijn evenwicht. Niets levensbedreigends, maar wel genoeg om hem onzeker te maken. Eerst deed hij nog dapper alsof het wel ging. Dan liepen wij expres langzamer en zei hij: ‘Nee hoor, ik hou jullie niet op.’ Maar dat deed hij natuurlijk wel, en daar kon hij zelf nog het slechtst tegen.
Ik vond het eerlijk gezegd niet erg om ons aan te passen. Als iemand al zo lang in je leven is, dan ga je toch niet moeilijk doen over een korter rondje? Hans dacht daar anders over. Niet hard, niet gemeen, maar wel duidelijk.
‘Een keer aanpassen is wat anders dan alles aanpassen,’ zei hij thuis toen zij weg waren. ‘Ik ben 67, geen 87. Ik wil nu juist nog lopen zolang het kan.’
Ik werd boos. ‘Dus omdat jij nog fit bent, moeten zij maar thuis zitten?’
Hij zuchtte. ‘Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen: waarom moet alles wat wij doen voortaan in hun tempo?’
Dat gesprek kregen we steeds vaker. In het begin vonden we nog wel een middenweg. De ene keer gingen we met Kees en Marjan naar landgoed Den Treek voor een klein rondje en koffie bij het theehuis. De andere keer liepen Hans en ik met z’n tweeën vijftien kilometer op de Veluwe. Maar zelfs dat begon gevoelig te liggen.
Marjan zei op een middag, heel terloops maar niet echt terloops: ‘Jullie zien nog zoveel. Wij zitten tegenwoordig vooral in de buurt.’
Ik hoorde de teleurstelling er dwars doorheen. Hans hoorde vooral het verwijt.
Het werd echt ongemakkelijk toen Kees begon te vragen of we uitstapjes niet meer apart wilden doen. ‘Als jullie toch naar Singer of naar een stad gaan, kunnen we net zo goed samen rijden,’ zei hij. ‘Voor ons is dat fijner. Dan voelen we ons ook niet zo buitengesloten.’
Er viel een stilte waarin je de koelkast hoorde brommen.
Hans legde zijn lepel neer. ‘Maar Kees, soms willen wij ook gewoon spontaan gaan. Of wat langer blijven. Of eerst nog een stuk lopen.’
Kees trok zijn mond strak. ‘Ja, dat snap ik. Alleen het voelt nu een beetje alsof wij afgevallen zijn.’
Marjan keek naar mij, niet naar Hans. ‘Vriendschap is toch ook rekening houden met elkaar?’
Ik zei niks. Dat vond ik achteraf nog het ergst. Ik wilde iets zeggen dat iedereen heel hield, maar ik wist niet meer wat waar was.
Die avond kregen Hans en ik ruzie. Niet schreeuwen, meer dat ijzige gedoe dat bijna erger is.
‘Jij laat mij de boeman zijn,’ zei hij.
‘Omdat jij het ook hard brengt.’
‘Nee, omdat jij geen keuze durft te maken. Jij wilt hen niet kwetsen en mij ook niet.’
Daar had hij gelijk in, en juist daarom deed het pijn.
Een week later ben ik alleen naar Marjan gegaan. Gewoon op de koffie. Geen Hans, geen Kees erbij in de discussie. Ze zette speculaas neer en zei na vijf minuten al: ‘Ik ben moe van het rekenen geworden.’
‘Rekenen?’ vroeg ik.
‘Van wie nog mee kan, hoe ver iets is, waar een bankje staat, of Kees een goede dag heeft. En tegelijk voel ik me schuldig als ik zelf zonder hem ga. Dus als jullie dan ook nog apart dingen doen, voelt het alsof onze wereld steeds kleiner wordt.’
Toen snapte ik voor het eerst dat het voor haar niet alleen om gezelligheid ging. Het was ook rouw. Om hoe hun leven was geweest.
Thuis heb ik dat tegen Hans gezegd. Hij was stiller dan anders. Later zei hij: ‘Dat begrijp ik echt. Maar ik ben ook bang voor iets anders.’
‘Voor wat?’
‘Dat wij uit schuldgevoel ons leven kleiner maken, en daar dan verbitterd van worden. Dan help je niemand.’
Dat kwam binnen, juist omdat het waar kon zijn.
Uiteindelijk zijn we weer met z’n vieren gaan zitten, dit keer zonder omwegen. Heel Nederlands ook, gewoon alles op tafel.
Ik zei: ‘Ik wil jullie niet kwijt. Maar ik kan ook niet beloven dat we alles samen doen.’
Hans zei: ‘We willen best aanpassen, maar niet altijd. Soms doen wij een lange wandeling of een spontane dag weg met z’n tweeën. Dat is niet tegen jullie.’
Kees keek lang naar buiten. ‘Ik vind het moeilijk om te accepteren dat ik degene ben geworden om wieheen gepland moet worden.’
‘Dat snap ik,’ zei Hans. ‘Maar ik wil ook niet doen alsof er niks veranderd is.’
Marjan knikte langzaam. ‘Misschien moeten we stoppen met doen alsof het vroeger nog terugkomt.’
Dat was een harde zin, maar ook een opluchting. Alsof niemand meer hoefde te toneelspelen.
Nu spreken we elkaar anders. Niet minder warm, wel minder vanzelfsprekend. Eens per maand gaan we samen ergens koffie drinken of naar een klein museum waar je kunt zitten tussendoor. Hans en ik lopen daarnaast nog steeds onze langere tochten. Soms vertel ik daar minder enthousiast over dan vroeger, uit voorzichtigheid. Misschien is dat ook niet helemaal eerlijk, maar ik leer nog.
Wat ik vooral heb geleerd, is dat vriendschap niet betekent dat je alles hetzelfde moet blijven doen om trouw te zijn. Soms is trouw juist durven zeggen wat nog wel kan, en wat niet meer. Ouder worden is blijkbaar niet alleen afscheid nemen van gezondheid, maar ook van vanzelfsprekendheid. Hoe doen jullie dat: meebewegen uit loyaliteit, of juist duidelijke grenzen trekken zonder elkaar te verliezen?