“Dan ga jij toch alleen mee?” Na dertig jaar vriendschap voelde ik me ineens het obstakel in onze eigen vriendengroep
“Dan gaat Marjan toch gewoon alleen mee?” zei Erik, terwijl hij zijn wijnglas neerzette alsof hij iets heel praktisch voorstelde.
Ik weet nog dat ik naar de bitterballen keek in plaats van naar hem, omdat ik bang was dat ik anders iets zou zeggen waar we niet meer van terug konden. We zaten bij Kees en Anja in de serre in Amersfoort, zoals we al jaren deden om de vakantie naar Frankrijk door te spreken. Alleen voelde het deze keer niet als ons vaste clubje van vroeger. Het voelde alsof ik ineens de lastpost was geworden.
We gaan al bijna dertig jaar met dezelfde groep weg. Eerst met vouwwagens en kleine kinderen, later in huurhuizen met lange tafels, rosé uit de supermarkt en discussies over wie er afwast. We wandelden wat, lazen boeken, deden een marktje, een keer kanoën als iemand daar zin in had. Gelijkwaardig, ontspannen. Niemand hoefde ergens in mee.
Maar sinds mijn pensioen, nu anderhalf jaar geleden, is er iets verschoven. Gek genoeg niet omdat ik méér wil, maar juist minder. Ik heb veertig jaar in de techniek gewerkt, altijd vroeg op, altijd aan. Ik dacht dat ik na mijn pensioen zou genieten van ruimte in mijn hoofd. Dat doe ik ook, maar ik merk ook dat ik sneller moe ben. Mijn knie speelt op na lange dagen, ik slaap slechter als alles volgepland is, en ik heb steeds minder behoefte aan dat opgejaagde “we moeten eruit halen wat erin zit”.
De rest van de groep lijkt juist de turbo gevonden te hebben. Fietstochten van zestig kilometer, wijnproeverijen op anderhalf uur rijden, sterrenrestaurantjes, een dagje kajakken, stadjes “pakken” alsof het af te vinken lijstjes zijn. Duur ook. Vorig jaar zat ik op dag vier al te rekenen hoeveel momenten ik nog gezellig moest doorkomen.
Thuis had ik al tegen Marjan gezegd: “Zullen we dit jaar overslaan? Of anders iets kleiners, een weekje in Zeeland of Drenthe, gewoon samen?”
Ze stond toen in de keuken de vaatwasser in te ruimen en zuchtte al voordat ik was uitgesproken. “Je weet wat er gebeurt als we nu afhaken, Hans. Dan zijn we er volgend jaar ook niet meer vanzelfsprekend bij. Mensen gaan door. Voor je het weet zitten wij elk weekend alleen.”
“Maar moet ik dan mee om erbij te mogen horen?”
“Zo moet je het niet brengen. Het is ook ónze vriendengroep. En eerlijk is eerlijk, jij zegt bij voorbaat al nee tegen alles.”
Dat deed pijn, juist omdat er een kern van waarheid in zat. Ik was korter geworden. Sneller geïrriteerd ook. Niet alleen door die vakanties. Ook door het gevoel dat ik sinds mijn pensioen opnieuw moest uitvinden wie ik was, terwijl iedereen deed alsof dit alleen maar een heerlijke vrije fase hoorde te zijn.
In die serre probeerde ik het nog rustig uit te leggen. “Ik zeg niet dat jullie iets verkeerd doen. Alleen dat ik merk dat het voor mij te veel wordt. Misschien kunnen we het wat losser houden? Niet elke dag een programma, en misschien een huis dat niet 4.500 euro per stel kost.”
Anja trok haar wenkbrauwen op. “Ja, maar we hebben er toch juist nu de tijd en het geld voor? We hebben hier het hele jaar zin in.”
“Dat snap ik,” zei ik. “Maar ik heb die behoefte gewoon minder.”
Er viel zo’n stilte waarin iedereen wel iets vindt, maar niemand aardig wil beginnen. Tot Erik dus met dat voorstel kwam dat Marjan ook alleen kon gaan.
Marjan lachte eerst nog een beetje ongemakkelijk. “Nou ja… dat zou eventueel kunnen.”
Ik keek haar aan. Echt aankeek. Ze wist meteen dat dat harder aankwam dan ik wilde laten merken.
Op de terugweg in de auto zei ik bijna niets. Bij Hoevelaken begon zij. “Je hoeft niet zo te doen alsof ik je verraden heb.”
“Hoe dan wel?” vroeg ik. “Ze noemen mij moeilijk, en de oplossing is dat jij zonder mij gaat. Dat is toch wat er gebeurde?”
“Nee, de oplossing was dat niet alles om jou hoeft te draaien, Hans. Ik wil die mensen ook niet kwijt.”
Ik voelde het in mijn borst, zo’n doffe druk. Niet alleen boosheid. Ook schaamte. Omdat ik haar kennelijk iets afpakte. “En ik dan? Ik wil ook niet kwijtgeraakt worden. Maar ik raak mezelf kwijt als ik steeds over mijn grens ga om gezellig gevonden te worden.”
Die nacht sliepen we allebei slecht. De volgende ochtend dronken we koffie aan de keukentafel zonder radio aan. Heel ongezellig, heel echt. Marjan zei zacht: “Ik ben bang dat ons leven kleiner wordt. Dat is het gewoon. Sinds jij met pensioen bent, is alles rustiger geworden. Voor jou is dat fijn. Voor mij soms ook benauwend. Die vakanties zijn voor mij niet alleen vakantie. Het is ook het gevoel dat we nog meedoen.”
Toen snapte ik haar beter dan de avond ervoor. Het ging haar niet om luxe hotels of dure wijn. Het ging om ergens bij horen, nu de kinderen hun eigen leven hebben en het werk ook niet meer het middelpunt is. Maar ik wilde ook dat zij míj snapte.
Dus heb ik gezegd: “Als jij echt graag wilt, ga dan een paar dagen mee. Of desnoods een week. Maar ik ga niet drie weken doen alsof ik dit leuk vind. En ik wil niet meer in een groep zitten waar grenzen meteen als lastig worden gezien.”
Een paar dagen later belde Marjan zelf met Anja. Ik zat in de schuur zogenaamd met de fietsen bezig, maar ik hoorde genoeg. “Nee, we doen het dit jaar anders,” zei ze. “Hans trekt het niet, en eerlijk gezegd wil ik ook niet dat hij zich overal doorheen moet slepen. Als dat betekent dat we een jaartje overslaan, dan is dat maar zo.”
Daarna was het stil aan de andere kant, lang genoeg om pijnlijk te zijn. Sindsdien is de appgroep beleefder geworden en ook afstandelijker. Minder vanzelfsprekend. Alsof we van binnen allemaal weten dat er iets geknakt is wat niet meer helemaal terugkomt.
Toch gingen Marjan en ik in juni tien dagen naar Schouwen-Duiveland. Geen groot huis, geen planning. We fietsten naar Zierikzee, aten kibbeling op een bankje, lazen veel, maakten ook ruzie, praatten uit, vielen stil, begonnen opnieuw. Op de derde dag zei Marjan: “Ik mis ze wel.” Ik zei: “Ik ook.” En dat was misschien het eerlijkste van de hele zomer.
Ik denk nog steeds niet dat wij fout zaten. Maar ik denk ook niet meer dat onze vrienden per se hard of egoïstisch zijn. Misschien pasten we jarenlang goed bij elkaar en zijn we gewoon niet meer op hetzelfde punt uitgekomen. Dat is pijnlijker dan ruzie, omdat niemand echt de schuld krijgt.
Ik leer nu dat ouder worden niet alleen gaat over rust nemen, maar ook over verdragen dat niet iedereen met je meebeweegt. En dat trouw zijn aan je partner soms betekent dat je samen iets verliest, om elkaar niet kwijt te raken. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: kiezen voor de groep om niet buiten beeld te raken, of juist voor de rust en accepteren dat sommige vriendschappen veranderen?