Na 28 jaar stopte mijn man met onze vaste vriendenavonden, en ineens vroeg ik me af of wij altijd de enigen waren die deze vriendschap droegen
‘Dus dat was het dan?’ hoorde ik mezelf zeggen, veel harder dan ik van plan was. Arie stond met zijn jas nog half aan in de gang, de autosleutels in zijn hand, en keek me aan met die vermoeide blik die ik de laatste maanden steeds vaker zag. ‘Je appt gewoon in de groep dat het stopt? Na al die jaren?’
Hij zuchtte. ‘Het is niet “gewoon”. Ik heb er weken over nagedacht, Els. Ik ben met pensioen. Ik wil niet nog steeds de agenda van acht andere mensen beheren alsof het mijn werk is.’
Dat ene appje had meer losgemaakt dan ik had verwacht. Al 28 jaar kwamen we elke eerste zaterdag van de maand bij elkaar. Eerst met kleine kinderen die boven in stapelbedden sliepen terwijl wij beneden aan de eettafel zaten, later met pubers die pizza uit de oven trokken, en de laatste jaren gewoon met z’n tienen, een fles rood op tafel, kaasblokjes, stokbrood, iemand die te hard zei dat de politiek weer nergens over ging.
Maar als ik eerlijk ben: Arie regelde bijna alles. Hij prikte data, belde als mensen niet reageerden, haalde extra stoelen uit de schuur, deed de boodschappen, hield rekening met Henk zijn zoutarme dieet en met het feit dat Marjan geen toetjes at ‘want lijn’. Ik deed ook veel, koken vooral, de tafel mooi maken, opruimen achteraf. Maar hij hield het draaiende.
Na zijn pensioen veranderde er iets in hem. Niet groot, niet dramatisch, meer alsof er langzaam lucht uit liep. ‘Ik wil eens wakker worden zonder lijstje in mijn hoofd,’ zei hij laatst aan de ontbijttafel, terwijl hij zijn boterham met oude kaas at en naar de regen in de tuin keek. ‘Altijd is er weer iets. Verjaardagen, etentjes, mensen appen die niet terugappen. Ik ben er klaar mee.’
Ik vond dat ondankbaar klinken, en dat zei ik ook. ‘Het zijn je vrienden, Arie.’
‘Onze vrienden,’ corrigeerde hij. ‘Maar vriendschap is toch niet dat één iemand blijft trekken en de rest aanschuift?’
Ik wilde daar niet aan. Die avonden waren mijn houvast geworden. Sinds ik minder ben gaan werken in de bibliotheek en de kinderen allang het huis uit zijn, zijn die etentjes voor mij meer dan gezelligheid. Het is ritme. Ergens bij horen. Niet weer een zaterdag waarop je om half zeven denkt: zullen we dan maar een soepje nemen?
De reacties in de appgroep deden meer pijn dan ik had verwacht. Niet eens omdat mensen boos waren, maar juist omdat bijna niemand zei: dan pak ik het wel op. Peter stuurde: ‘Jammer, was altijd zo goed geregeld bij jullie.’ Karin: ‘Wat zonde, laten we hopen dat het niet verwatert.’ Hopen. Alsof het weer was. Alleen Marjan belde me.
‘Ik snap Arie ergens wel,’ zei ze. ‘Maar ja, zonder trekker gebeurt er meestal weinig.’
Ik hoorde mezelf lachen, zo’n kort hard lachje. ‘Dus dan gebeurt er niks?’
‘Mensen zijn gemakzuchtig, Els. Ook ik, denk ik.’
Dat eerlijke raakte me nog het meest.
Twee weken later deed ik iets waar ik nog steeds niet trots op ben. Terwijl Arie boven de belastingpapieren zat uit te zoeken, stuurde ik zelf een berichtje rond. Dat we anders toch bij ons konden beginnen, dat ik wel een datumprikker zou maken, dat het zonde was om zoiets moois verloren te laten gaan. Binnen tien minuten had ik zes enthousiaste reacties. ‘Leuk!’ ‘Top idee!’ ‘Geef maar door wat we meenemen.’
Ik voelde eerst opluchting. Tot Arie beneden kwam, mijn telefoon op het aanrecht zag liggen en de meldingen las.
Hij zei niet meteen iets. Dat was erger dan wanneer hij was gaan schreeuwen. Uiteindelijk vroeg hij alleen: ‘Dus mijn grens geldt niet, als jij het belangrijk genoeg vindt?’
‘Zo moet je het niet zien.’
‘Hoe dan wel, Els?’
Ik werd boos omdat ik me betrapt voelde. ‘Alsof jij in je eentje beslist over ons leven? Alsof ik hier niks in te zeggen heb?’
Hij ging zitten aan de keukentafel, heel rustig. ‘Jij hebt zeker iets te zeggen. Maar ik probeer al maanden uit te leggen dat ik op ben van altijd zorgen dat het gezellig blijft. En wat hoor ik steeds? Dat het moet doorgaan. Voor de groep. Voor jou. Wanneer is er ruimte voor wat ik nodig heb?’
Die nacht sliep ik slecht. Ik lag te luisteren naar zijn ademhaling naast me en dacht aan alle jaren waarin ik het vanzelfsprekend had gevonden dat Arie de aanjager was. Niet alleen bij die etentjes trouwens. Ook met vakanties regelen, oppassen bijspringen, cadeaus onthouden. Hij mopperde wel eens, maar deed het toch. Misschien had ik daardoor niet gezien dat mopperen ook een grens kan zijn die je te lang negeert.
De volgende ochtend heb ik de groep geappt dat het etentje bij ons niet doorging. Mijn handen trilden ervan. Ik heb er ook bij gezet dat, als iemand het wilde overnemen, ik graag een schaal salade zou maken of een dessert mee zou nemen, maar dat wij niet langer de organisatie deden.
Lang bleef het stil. Toen appte Henk: ‘Duidelijk. Dan is het misschien goed als we het kleiner maken en gewoon per keer kijken wie wil hosten.’ Voor het eerst klonk het alsof iemand begreep dat vriendschap ook werk is.
Vorige maand zijn we bij Karin en Peter geweest. Het was rommeliger dan bij ons, de aardappels waren net niet gaar en we zaten op klapstoelen uit de garage. En toch had ik het onverwacht fijn. Niet omdat alles opgelost was, want dat is niet zo. Ik mis nog steeds de vanzelfsprekendheid van vroeger, en ik voel me nog steeds kwetsbaar nu ik weet hoe snel mensen achteroverleunen. Maar ik keek naar Arie, die ontspannen achterover zat zonder drie keer op te staan voor nog een schaal, en ik dacht: misschien was wat ik wilde behouden allang scheef gegroeid.
Ik leer nu dat trouw aan je vrienden niet mag betekenen dat je doof wordt voor de vermoeidheid van degene naast je. Hebben jullie ook weleens ontdekt dat een vriendschap of traditie vooral bleef bestaan doordat één persoon bleef trekken, en wat deed dat met jullie?