‘Echte vrienden laten je niet vallen,’ zei hij — en ineens voelde onze vriendschap van veertig jaar als een verplichting

‘Dus jullie laten ons gewoon stikken?’

Ik zat met mijn koffiekop in mijn hand aan onze eettafel in Amersfoort en voelde mijn wangen warm worden. Tegenover mij zat Kees, een man die ik al kende sinds we begin twintig waren. We hadden samen gekampeerd in Zeeland, elkaars kinderen zien opgroeien, samen etentjes gedaan, oud en nieuw gevierd. En nu keek hij me aan alsof ik hem verraadde.

‘Dat is niet eerlijk, Kees,’ zei mijn man Johan rustig. ‘Dat zeggen we niet.’

Maar eerlijk gezegd dacht ik op dat moment vooral: misschien laten we onszelf al te lang stikken.

Kees en Marijke zijn al bijna veertig jaar onze vrienden. Het was altijd gelijkwaardig. Als wij gingen schilderen in huis, stond Kees met een oude spijkerbroek en een kratje bier voor de deur. Toen Marijke’s moeder overleed, kookte ik een week lang voor hen. Toen Johan een hernia had, reed Kees hem naar de fysio. Zo ging dat. Nooit tellen, gewoon geven en krijgen.

De laatste twee jaar veranderde alles. Eerst subtiel. Marijke vergat afspraken, stelde drie keer dezelfde vraag, belde mij om te vragen of we die avond kwamen eten terwijl we dat al hadden afgezegd. In het begin lachten we het nog weg. ‘Druk in haar hoofd,’ zei ze zelf. Tot de diagnose kwam: beginnende dementie.

Sindsdien regelt Kees alles. Ook alles van Marijke. Wanneer ze opstaat, wat ze eet, waar ze heen gaat, wie er langskomt. Ik snap dat ook wel. Hij is doodmoe. Je ziet het aan alles: de grauwe huid, dezelfde trui drie dagen achter elkaar, kort lontje. Maar langzaam verschoof er iets.

Eerst vroeg hij of ik een keer boodschappen voor hen wilde meenemen van de Albert Heijn. Natuurlijk. Daarna of Johan Marijke naar het ziekenhuis kon brengen, omdat hij zelf ‘er even doorheen zat’. Ook logisch. Daarna werd het wekelijks. Boodschappen, apotheek, mee naar de geheugenpoli in Utrecht, oppassen als Kees naar de tandarts moest, formulieren uitprinten omdat hij ‘niet aan dat gedoe toekwam’.

We deden het. Graag zelfs, dacht ik toen nog. Want wat moet je anders, als je vriendin langzaam verdwijnt?

Maar de laatste maanden begonnen onze weekenden er anders uit te zien. ‘Kunnen jullie zaterdagmiddag even bij Marijke zijn? Dan kan ik naar de bouwmarkt.’ ‘Willen jullie zondag het vlees meenemen? Ik trek het niet om te koken.’ ‘Johan, kun jij haar dinsdag ophalen bij de dagbesteding? Ik moet echt slapen.’

Steeds vaker kwam het niet als vraag, maar als invulling. Alsof wij een soort rooster hadden waar hij op kon intekenen.

Ik merkte dat ik prikkelbaar werd. Niet op Marijke. Nooit op haar. Maar op het appje dat op vrijdagavond kwam, net als wij op de bank zaten. Op het gevoel dat ik mijn telefoon hoorde en meteen dacht: alsjeblieft niet weer.

Laatst zei Johan: ‘We moeten oppassen, Ans. We zijn vrienden, geen thuiszorg.’

Ik schrok van die zin, omdat ik hem meteen hard vond. En omdat hij ook waar was.

Het gesprek escaleerde toen Kees belde over onze vakantie. We zouden een week naar Drenthe gaan, gewoon een huisje op een park bij Dwingeloo, fietsen mee, nergens bijzonder. Voor ons was het juist belangrijk, omdat Johan vorig jaar hartklachten had gehad en we allebei moe waren.

‘Jullie zijn toch met de auto?’ vroeg Kees.

‘Ja, hoezo?’ zei ik.

‘Nou, ik zat te denken… misschien kunnen jullie drie dagen later gaan. Of tussendoor een paar dagen terugkomen. Marijke is onrustig en ik trek het niet alleen.’

Ik dacht eerst dat ik hem verkeerd verstond. ‘Je bedoelt… onze vakantie inkorten?’

‘Ja, nou ja, zo zou ik het niet noemen. Gewoon een beetje schuiven. Voor ons. Echte vrienden doen dat toch?’

Ik voelde iets dichtklappen in mij. Johan stak zijn hand uit naar de telefoon. ‘Kees, dit gaat te ver,’ zei hij. ‘We helpen al maanden. Met liefde. Maar wij moeten ook op adem komen.’

Het bleef even stil. Toen kwam het hard.

‘Dus nu het echt zwaar wordt, geven jullie niet thuis. Mooi is dat. Dan weet ik ook waar ik sta.’

Die woorden bleven dagen hangen. Ik was boos, maar ook verdrietig. Want ik wist ook waar híj stond: tot zijn nek in de zorg, bang om zijn vrouw kwijt te raken, te trots of te moe om professionele hulp echt toe te laten. En toch was ik het zat dat onze vriendschap alleen nog draaide om wat wij konden overnemen.

Een week later ben ik alleen naar Marijke gegaan. Ze zat aan de keukentafel met een beschuitje dat zacht was geworden in de thee. ‘Gezellig dat je er bent,’ zei ze. Vijf minuten later zei ze hetzelfde nog een keer. Kees liep gejaagd door het huis, zocht haar tas, mopperde dat de huishoudelijke hulp weer had afgezegd.

Toen heb ik het gezegd. Met knikkende handen, maar toch.

‘Kees, we laten jullie niet vallen. Maar dit houden wij ook niet vol. We willen best vaste dingen doen: één keer per week boodschappen en één afspraak per twee weken. Maar niet meer alles tussendoor. Je moet echt met de casemanager bespreken wat er extra nodig is.’

Hij keek me aan alsof ik hem een rekening presenteerde. ‘Dus zo gaan we het doen? Op afspraak vrienden zijn?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Juist om vrienden te kunnen blijven.’

Marijke keek van hem naar mij en vroeg zacht: ‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’

Dat brak mijn hart. Ik ben naast haar gaan zitten en heb haar hand gepakt. ‘Nee lieverd, helemaal niet.’

Kees begon te huilen. Niet netjes, niet beheerst, maar gewoon moe en boos en kapot. Johan had gelijk: hij was niet alleen dwingend, hij was ook opgebrand. Voor het eerst zei hij hardop: ‘Ik kan dit niet meer alleen.’

Sindsdien is het niet ineens goed. Er is thuiszorg bij gekomen, en Marijke gaat nu twee dagen extra naar de dagopvang. Kees doet nog steeds soms kortaf als we nee zeggen. En ik voel me nog steeds schuldig als ik op zaterdag gewoon naar de markt ga in plaats van naar hen.

Maar ik merk ook dat er weer lucht komt. Als we nu langskomen, drinken we soms echt koffie. Dan hebben we het even over vroeger, over Terschelling, over die keer dat de caravan lekte. Niet alleen over schema’s en medicijnen.

Ik heb geleerd dat loyaliteit niet betekent dat je grenzeloos beschikbaar moet zijn. Soms is een grens geen afwijzing, maar de enige manier om elkaar niet kwijt te raken.

Hoe zouden jullie dat doen: wanneer ben je een goede vriend, en wanneer moet je jezelf beschermen, ook als dat pijn doet?