Ik wilde mijn beste vriendin na het overlijden van haar man niet loslaten, maar thuis begon mijn eigen huwelijk eraan onderdoor te gaan
‘Je bent er meer voor háár dan voor ons,’ zei mijn man Kees, terwijl hij zijn leesbril op tafel gooide. Het was zondagavond, de stamppot stond nog half op mijn bord koud te worden, en ik voelde meteen die bekende steek van woede én schuld. Ik was pas een uur terug van Marjan. Ze had deze keer niet eens de gordijnen open gedaan. Ik had twintig minuten op de stoep in Amersfoort gestaan voordat ze eindelijk open deed, in haar badjas, om half drie ’s middags.
‘Ons?’ zei ik. ‘We zijn met z’n tweeën, Kees. Marjan heeft niemand meer.’
Hij keek me aan zoals hij de laatste maanden steeds vaker deed: moe, voorzichtig, maar ook boos. ‘Dat is niet waar. Ze hééft nog mensen. Alleen duwt ze iedereen weg. En jij laat je helemaal opslokken.’
Marjan en ik waren dertig jaar bevriend. Onze mannen ook. We gingen samen kamperen in Zeeland toen de kinderen nog klein waren, later een weekje Drenthe, jarenlang vaste prik met Oud en Nieuw. Toen Kees een bypass kreeg, stond Hans, haar man, hier bijna dagelijks met boodschappen. Toen Marjan borstkanker had, reed ik haar naar het Meander voor controles. Er was nooit gedoe over geven en nemen. Het liep gewoon vanzelf.
Tot Hans vorig jaar overleed. Geen drama, geen groot ongeluk. Gewoon een hartstilstand, op een dinsdagochtend, in de schuur. Sindsdien was Marjan langzaam verdwenen terwijl ze nog gewoon leefde. Eerst zei ze de bridge af. Toen verjaardagen. Toen nam ze de telefoon niet meer op. Appjes las ze wel, blauwe vinkjes, maar antwoord kwam er zelden.
In het begin gingen we samen langs. Kees zette koffie, ik maakte de afwas omdat er vaak nog kopjes van dagen stonden. Marjan zei weinig. Soms alleen: ‘Het hoeft voor mij niet meer zo.’ Daar schrok ik elke keer van, maar als ik vroeg wat ze bedoelde, haalde ze haar schouders op.
Kees zei al snel: ‘Dit is groter dan wij. Bel de huisarts.’
Dat vond ik ook wel, in theorie. Maar in de praktijk voelde het alsof ik haar verraadde. Alsof ik over haar hoofd heen besloot dat ze een probleem was dat overgenomen moest worden.
Toch heb ik het gedaan. Eerst voorzichtig. ‘Marjan, zal ik anders even met de huisarts meedenken?’
Ze werd ineens fel. ‘Ik ben niet gek, Els. Ik ben mijn man kwijt.’
Daarna liet ze me twee weken niet binnen.
Dus ging ik terug zoals ik altijd terugging: met een bos tulpen van de markt, een krentenbol, en de hoop dat ze deze keer iets meer zou zeggen. Soms lukte dat. Dan zaten we aan haar eettafel, de radio zachtjes op NPO 4, en vertelde ze ineens iets kleins. Dat ze nog steeds twee borden uit de vaatwasser pakte. Dat ze ’s nachts luisterde of ze zijn sloffen hoorde. Dan kneep mijn keel dicht en dacht ik: zie je wel, ik moet blijven komen.
Maar thuis begon het te schuren. We sloegen etentjes af omdat ik ‘misschien nog naar Marjan moest’. We gingen minder op pad. Onze dochter zei een keer: ‘Mam, als ik bel heb je altijd haast.’ Dat kwam binnen. Kees trok zich terug. Niet met slaande deuren, dat past niet bij hem. Juist erger: stiltes. De krant net iets te hard omslaan. ‘Maakt mij niet uit hoor,’ zeggen op een toon die precies het tegenovergestelde betekende.
De echte ruzie kwam toen ik zei dat ik voortaan ook op donderdag even langs wilde gaan.
‘Twee keer per week?’ zei hij. ‘Els, luister nou eens naar jezelf.’
‘Wat moet ik dan? Haar laten verstoffen achter die voordeur?’
‘Nee. Maar jij bent niet haar behandelaar. En ik ben je man, geen bijrijder in dit hele verhaal.’
Dat laatste raakte me. Misschien omdat het waar was. Ik had hem niet meer meegenomen in wat ik voelde; ik kwam thuis leeg, geprikkeld en vol zorgen, en verwachtte eigenlijk dat hij dat gewoon zou dragen.
Toch ging ik die donderdag. Zonder iets te zeggen stapte ik na de lunch op de fiets. Het miezerde. Onderweg voelde ik me koppig en misselijk tegelijk. Marjan deed niet open. Ik hoorde binnen wel beweging, heel even, en toen niets meer. Ik bleef staan, nat tot op mijn hemd, en ineens dacht ik: wat bén ik eigenlijk aan het doen?
Ik ben uiteindelijk niet naar huis gegaan maar naar de huisartsenpraktijk in haar wijk. Niet om haar aan te geven, zo voelde het eerst wel, maar om mijn zorg neer te leggen waar die hoorde. De assistente luisterde rustig en zei: ‘U hoeft dit niet alleen te dragen. We kunnen met de huisarts overleggen en eventueel de POH-ggz of wijkteam betrekken.’ Ik moest daar in die te warme wachtruimte bijna van huilen, van opluchting en schaamte tegelijk.
Die avond heb ik alles aan Kees verteld. Ook dat ik boos op hem was geweest omdat hij grenzen stelde die ik zelf niet durfde te voelen. Hij zei niet meteen: ‘Zie je wel.’ Gelukkig niet. Hij pakte alleen mijn hand en zei: ‘Ik wil best naast je staan, maar ik wil je niet kwijtraken aan haar verdriet.’
Dat was hard om te horen. En eerlijk.
Nu ga ik nog één keer per week naar Marjan, als ze me binnenlaat. Soms maar tien minuten. Soms drinken we koffie. De huisarts is betrokken, al vindt Marjan dat nog steeds lastig. Ze is niet ineens beter, en ik ben ook niet ineens de ideale vriendin of echtgenote. Ik leer vooral dat trouw zijn niet betekent dat je jezelf moet opofferen tot er thuis niets meer van je over is.
Ik dacht altijd dat echte vriendschap betekende: blijven, wat het ook kost. Nu denk ik dat het óók betekent dat je hulp durft te delen en eerlijk bent over je eigen grens. Hoe zouden jullie dit doen: volhouden uit loyaliteit, of eerder afstand nemen om je eigen relatie te beschermen?