Ik zette mijn zus en nichtje de deur uit, en daarna verloor ik bijna iedereen
De eerste avond nadat mijn zus Anouk en mijn nichtje weg waren, heb ik de televisie niet aangezet.
Ik zat gewoon op de bank met een boterham met pindakaas op schoot. Het was half negen. Ik hoorde de koelkast aanslaan, een scooter op straat, de buurvrouw die haar vuilnisbak terug over de tegels trok. Dingen die er altijd al waren geweest, maar die ik maanden niet meer had gehoord omdat er in mijn huis voortdurend iemand praatte, belde, zuchtte, muziek luisterde of vroeg waar iets lag.
Ik voelde opluchting. Zo eerlijk moet ik wel zijn.
En vrijwel meteen daarna schaamte.
Anouk is mijn jongere zus. We zijn nooit van die broer en zus geweest die elkaar iedere week spreken, maar als het erop aankwam, waren we er wel. Toen mijn huwelijk twaalf jaar geleden stukliep, heb ik een tijdje op haar zolderkamer gezeten. Niet lang, vier maanden misschien, maar lang genoeg om te weten dat het vernederend voelt om op je vijfenveertigste je tas in een hoek te hebben staan en te vragen of je onder de douche mag.
Ze deed toen niet moeilijk. Ze kookte extra pasta, zei tegen haar man dat ik niet lastig was, hoewel ik dat vast wel was. Ik was stil, somber en ik dronk te veel bier. Ik ben haar daar altijd dankbaar voor gebleven.
Dus toen ze me vorig voorjaar belde en zei dat het thuis niet meer ging, was mijn antwoord er eigenlijk al uit voordat ze haar verhaal af had.
Ze ging scheiden van Daan. Geen enorme knal, geen politie aan de deur of zo. Eerder jaren van verwijten, geldzorgen, Daan die steeds meer avonden wegbleef en Anouk die alles controleerde omdat ze hem niet vertrouwde. Mijn nichtje Lotte was zestien en zat midden in haar eindexamenjaar. Anouk wilde niet dat zij telkens tussen twee ruziënde ouders terechtkwam.
Ik heb een appartement met een kleine tweede slaapkamer in Nieuwegein. Ik woon alleen, werk als conciërge op een mbo-school en ben niet rijk, maar ik red me. Ik zei dat ze er zes weken konden blijven, tot Anouk iets had gevonden of in elk geval wist wat ze ging doen.
Die eerste weken waren eigenlijk goed. Lotte deed haar huiswerk aan mijn eettafel. Anouk kookte vaak, wat ik stiekem prettig vond. Mijn huis rook weer naar eten in plaats van naar magnetronmaaltijden. We keken samen naar Heel Holland Bakt en maakten flauwe opmerkingen over de kandidaten.
Maar zes weken werden twee maanden. Daarna drie.
Anouk kreeg niets. Of nou ja, ze reageerde overal op, maar huurwoningen gingen naar mensen met meer inschrijftijd en particuliere verhuur was onbetaalbaar. Bij een woning in Houten mocht ze op gesprek komen, maar daar bleek iemand anders al boven haar te staan. Ik snapte dat allemaal. Iedereen kent wel iemand die na een scheiding tijdelijk bij familie op de bank zit omdat er gewoon geen plek is.
Alleen was het niet meer tijdelijk in mijn hoofd. Dat merkte ik aan stomme dingen.
Ik kwam op vrijdag thuis en er stonden drie fietsen beneden die ik niet kende. In mijn woonkamer zaten Anouks vriendin Marieke, haar broer met zijn nieuwe vriendin en twee klasgenoten van Lotte. Ze aten nacho’s uit schalen op mijn salontafel. Niemand deed iets verkeerds. Ze waren vriendelijk. Marieke zei zelfs: „Wat gezellig hier, Hans. Jij hebt echt een fijn plekje.”
Maar ik stond daar met mijn werktas nog om mijn schouder en ik wist niet waar ik moest zitten.
Anouk vond dat ik overdreef toen ik zei dat ik graag vooraf wilde weten als er mensen kwamen.
„Lotte heeft het moeilijk, Hans. Ze mag toch ook gewoon vriendinnen zien?”
Dat mocht van mij ook. Alleen niet elke woensdag, vrijdag en soms zondagmiddag, en niet alsof mijn huis een soort tussenstation was waar iedereen binnenliep. Ik begon later thuis te komen van mijn werk. Dan haalde ik nog koffie bij het tankstation of liep ik doelloos door de Albert Heijn, gewoon omdat ik wist dat ik thuis meteen rekening moest houden met anderen.
Het ergste was dat ik me schuldig voelde om die gedachte. Zij hadden het zwaarder. Anouk sliep slecht, Lotte miste haar vader, de scheiding was nog niet geregeld. Wie was ik dan, met mijn behoefte aan een stille avond?
Toch kwam er een moment dat ik niet meer kon doen alsof het vanzelf overging.
Ik had een afspraak bij de huisarts omdat ik al weken slecht sliep en steeds hartkloppingen had. Geen dramatische paniekaanvallen, maar dat opgejaagde gevoel, alsof je te laat bent voor iets terwijl je niet weet waarvoor. De huisarts vroeg of er thuis spanning was. Ik zei eerst nee. Toen moest ik ineens huilen, midden in die spreekkamer. Ik vond dat vreselijk gênant.
Die avond heb ik Anouk gevraagd om na het eten te praten. Lotte was bij een vriendin.
Ik zei dat ik wilde helpen, maar dat ik een einddatum nodig had. Dat ik niet nog maanden zo door kon. Ik had al gekeken naar tijdelijke kamers en antikraakgroepen, ik wilde desnoods meehelpen met bellen, borg voorschieten als het echt moest.
Anouk keek me heel lang aan. Niet boos in het begin. Eerder alsof ik iets had kapotgemaakt waarvan zij dacht dat het stevig stond.
„Dus je zet ons eruit.”
„Nee,” zei ik. „Ik vraag je om een plan. En om over vier weken iets anders te hebben.”
Ze lachte kort. „Vier weken. Jij weet toch hoe de woningmarkt is?”
Daar had ze gelijk in. Maar ik zei ook: „Ik weet hoe het is om geen plek te hebben. Juist daarom had ik vanaf het begin eerlijker moeten zijn. Ik kan dit niet onbeperkt.”
Daarna werd het lelijker dan ik had verwacht. Niet met schreeuwen. Dat had bijna makkelijker geweest. Anouk werd heel stil en zei dat ik vroeger ook op haar kon rekenen. Dat Lotte blijkbaar minder belangrijk was dan mijn rust. Ik zei iets onaardigs terug, iets over dat zij mijn huis had overgenomen en nooit meer vroeg wat ik zelf wilde. Daar heb ik later spijt van gehad. Het klonk alsof ik alle hulp die ik had gegeven wilde terugvorderen.
Ze vond uiteindelijk via via een kleine woning in Zeist, tijdelijk, boven een winkel. Niet ideaal, maar wel iets. Mijn vader hielp met verhuizen. Mijn moeder stond erbij met een doos glazen in haar armen en zei bijna niets.
In de familie-app werd daarna vooral nog over praktische dingen gepraat. Verjaardagen, wie oma naar het ziekenhuis brengt, een foto van een nieuwe baby van een neef die ik nauwelijks ken. Anouk reageert als ik iets stuur, maar kort. Lotte helemaal niet meer. Bij de verjaardag van mijn moeder vorige maand zat ik aan de andere kant van de tafel van hen. Iedereen deed normaal. Misschien deden ze extra normaal.
Mijn zwager, de broer van Anouk, zei bij het weggaan: „Je had haar toch gewoon wat langer kunnen laten zitten?” Niet eens boos. Bijna terloops.
Ik zei niks. Ik pakte mijn jas en ben naar huis gereden.
Thuis was het opgeruimd. Te opgeruimd misschien. Lotte had een elastiekje op de vensterbank laten liggen en in een keukenkastje vond ik nog een pak van haar favoriete thee. Ik heb het niet weggegooid.
Ik slaap weer beter. Dat is waar. Maar als mijn telefoon op zondag stil blijft en ik weet dat de rest waarschijnlijk ergens samen koffie drinkt, voelt die rust soms ook als iets wat ik zelf heb gekocht, alleen wist ik niet wat het me zou kosten.