Toen onze vriend vroeg of hij bij ons mocht wonen, bleek onze vriendschap ineens niet meer gelijkwaardig

Ik heb de reservekamer vorige week opgeruimd zonder dat ik het tegen Rob heb gezegd.

Niet echt opgeruimd trouwens. Ik heb alleen de stapel oude dekbedhoezen naar de zolder gebracht en de hometrainer, die al jaren als kledingrek dient, een stuk naar het raam geschoven. Daarna heb ik de deur weer dichtgedaan.

Alsof ik daarmee al iets besloten had.

Rob en ik zijn allebei 62. We wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, niet groot maar fijn genoeg nu de kinderen al jaren de deur uit zijn. Hij werkte bij de gemeente, ik in de administratie van een zorginstelling. Sinds vorig jaar zijn we allebei met pensioen. We hadden allerlei kleine plannen: een paar dagen naar de Waddeneilanden buiten het seizoen, eindelijk de tuin anders doen, wat vaker met de camper van mijn zus weg als we die konden lenen.

Onze vrijdagen waren eigenlijk het meest vaste onderdeel van ons leven. Al sinds begin jaren negentig eten we om de beurt bij elkaar met onze vriendengroep: Henk, Marianne, Paul, Ingrid, Rob en ik. Eerst met kleine kinderen die door de woonkamer renden, later met pubers die boven zaten te mokken, en de laatste jaren gewoon met zes mensen aan tafel, te veel wijn en altijd dezelfde discussies.

Henk was degene die iedereen belde als er iets was. Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, stond hij met een tas boodschappen voor de deur voordat ik zelf wist wat ik nodig had. Toen Rob tijdelijk zonder werk zat na een reorganisatie, nam Henk hem iedere dinsdag mee wandelen, zonder er zwaar over te doen. Hij kon ook vreselijk betweterig zijn. Hij verbeterde je als je een jaartal verkeerd had en hij kon een hele avond mopperen over de NS. Maar hij hoorde bij ons. Niet als een kennis, meer als familie die je zelf hebt uitgekozen.

Vier jaar geleden kreeg hij de diagnose Parkinson. Eerst viel het mee. Hij liep wat langzamer en knoeide soms met koffie. Hij maakte er grappen over, vooral om ons gerust te stellen. Daarna ging het sneller. Zijn vrouw Els was al lang geleden overleden, kinderen heeft hij niet. Marianne regelde afspraken als hij het overzicht kwijt was. Paul deed zijn belastingaangifte. Ik ging mee naar de neuroloog als hij daar nerveus voor was. Rob reed hem geregeld naar de fysio.

Niemand had ooit gezegd: dit is nu mantelzorg. We deden gewoon wat nodig leek.

Maar op een gegeven moment was er elke dag wel een appje. Of Henk zijn medicijnen opgehaald konden worden. Of iemand naar de supermarkt kon. Of iemand even kon komen kijken, omdat hij duizelig was geweest en zijn telefoon niet kon vinden. Hij had thuiszorg, maar niet op alle momenten dat hij hulp nodig had. En hij wilde ook niet steeds onbekende mensen over de vloer. Dat begreep ik wel.

Rob begon stiller te worden zodra mijn telefoon pingde.

‘Je hoeft niet altijd meteen te reageren,’ zei hij een keer toen we net wilden vertrekken voor een weekendje Limburg.

Henk had gestuurd dat zijn douchekruk kapot was. Uiteindelijk heeft Paul dat geregeld, maar Rob was de hele rit geïrriteerd. Ik vond dat kinderachtig. Alsof Henk expres op vrijdagmiddag een kapotte douchekruk uitkoos.

Tegelijkertijd merkte ik zelf ook dat ik soms deed alsof ik een boodschap moest halen, alleen om een halfuur niet bereikbaar te zijn. Daar schaamde ik me voor. Henk zat alleen in zijn flat. Wij hadden elkaar, kinderen in de buurt, buren die even aanbellen. Hij had ons.

Drie weken geleden zaten we bij Ingrid en Paul. Henk was die avond erg moe. Zijn linkerhand trilde zo erg dat Ingrid zijn soepkom dichter bij hem zette zonder iets te zeggen. Na het eten bleef hij lang met zijn jas aan op de bank zitten. Iedereen rommelde wat in de keuken, veel te luidruchtig, omdat niemand echt wist wat er kwam.

Toen zei hij: ‘Ik heb iets uitgezocht. Als ik mijn flat opzeg en tijdelijk bij een van jullie intrek, kan ik misschien wat geld achter de hand houden voor extra hulp. En dan ben ik niet steeds alleen als het misgaat.’

Hij keek niet naar iedereen. Hij keek naar mij.

Misschien omdat ik de laatste maanden het vaakst bij hem was geweest. Misschien omdat ik ooit, heel achteloos, had gezegd dat onze reservekamer toch maar vol rommel stond.

Rob zei vrijwel meteen: ‘Nee, Henk. Dat gaan wij niet doen.’

De stilte daarna was verschrikkelijk. Ik hoorde de vaatwasser zoemen.

Henk knikte, maar zijn gezicht veranderde. Niet boos, eerder alsof hij zich ineens schaamde dat hij het gevraagd had. Hij zei dat hij het begreep en dat het maar een idee was. Marianne begon over een tijdelijke zorgwoning en Paul pakte zijn telefoon om iets op te zoeken, maar het gesprek was kapot.

In de auto naar huis zei ik niets. Rob ook niet, totdat we bij een rood licht stonden.

‘Kijk me niet zo aan,’ zei hij.

‘Hoe moet ik je dan aankijken?’

‘Alsof ik hem op straat zet. We kunnen hem niet in huis nemen, Marloes. We zijn geen zorginstelling.’

Ik weet nog dat ik heel hard zei: ‘Hij vraagt niet om een instelling. Hij vraagt om vrienden.’

Dat was gemeen, denk ik. Rob is geen hard mens. Hij heeft Henk vaker geholpen dan ik soms wil toegeven. Maar hij heeft ook gelijk dat onze vriendschap nooit bedoeld was als een huisgenoot met zorgvragen. Henk kan ’s nachts niet altijd alleen naar het toilet. Hij is een keer in de keuken gevallen. Ik weet niet wat er gebeurt als hij in ons huis achteruitgaat. Ik weet ook niet of ik dan nog gewoon zijn vriendin ben, of degene die hem wast als de thuiszorg niet komt.

Rob zei dat hij niet nog twintig jaar had gespaard en gewerkt om bang te zijn voor zijn eigen voordeur. Dat klonk hard, maar daarna zei hij zachter: ‘En ik ben bang dat jij jezelf helemaal kwijt raakt hierin.’

De dagen erna heb ik Henk nauwelijks gesproken. Dat is misschien het ergste. Ik was boos op Rob, maar ik vermeed Henk omdat ik niet wist wat ik moest zeggen. Hij stuurde alleen een foto van een lijstje met nummers van organisaties die Marianne had doorgestuurd. Daaronder schreef hij: “Komt wel goed hoor.”

Dat “hoor” maakte me verdrietiger dan het had moeten doen.

Afgelopen maandag zijn Rob en ik bij hem langs geweest. We hebben aangeboden om met hem mee te gaan naar het gesprek met de wijkverpleegkundige en de gemeente, om te kijken naar meer ondersteuning thuis en wat er mogelijk is als zelfstandig wonen echt niet meer gaat. Rob had een map meegenomen met papieren die hij al had uitgeprint. Zo is hij dan ook weer.

Henk was vriendelijk, maar afstandelijk. Hij zei dat hij Marianne niet nog meer wilde belasten en dat hij voorlopig zelf wel verder kon. Toen we weggingen, hielp Rob hem met zijn jas. Henk trok zijn arm terug omdat het niet meteen lukte. Rob deed alsof hij het niet zag.

Vrijdag is de eetavond bij ons. Ik heb voor zes personen boodschappen gedaan, uit gewoonte. Rob zag de extra stoelen al bij de tafel staan, maar zei niets.

De reservekamer is nog steeds half leeg. Ik weet niet of ik hoop dat Henk hem nooit nodig heeft, of dat ik bang ben dat hij het nog een keer vraagt.