Mijn beste vriendin veranderde haar hele leven, en ik weet niet of ik nog ergens in dat nieuwe leven pas
Ik weet niet meer precies wanneer het begon te schuiven tussen ons. Misschien was het al langer bezig en wilde ik het gewoon niet zien. Of misschien begon het echt op die zondag in april, toen ik met een appeltaart in de trein naar Amersfoort zat omdat Sanne jarig was, en zij me een halfuur voor aankomst appte: “Sorry lieverd, ik hou het vandaag toch klein. Alleen even met de mensen van de ademcirkel. We plannen snel iets samen.”
De mensen van de ademcirkel.
Ik heb dat bericht denk ik twintig keer gelezen. We kenden elkaar sinds de brugklas. We hebben samen op natte fietsen door de regen naar school gefietst, eerste liefdes overleefd, hospiteeravonden overleefd, break-ups met lauwe friet en goedkope wijn verwerkt. En ineens was ik niet meer iemand met wie je je verjaardag vierde, maar iemand voor wie je “snel iets” inplant.
Ik stond op station Amersfoort met die taart op schoot en voelde me zó dom. Echt kinderachtig bijna. Alsof ik was vergeten dat mensen veranderen en dat ik de enige was die was blijven hangen.
Maar het ging niet alleen om die verjaardag.
Sanne was het afgelopen jaar compleet veranderd. Dat klinkt misschien hard, maar zo voelde het. Eerst begon het onschuldig. Minder drinken. Vroeg opstaan. Yoga. Ik vond het eigenlijk wel mooi voor haar. Na haar burn-out was ik juist blij dat ze iets had gevonden waar ze rust uit haalde.
“Ik wil dichter bij mezelf blijven,” zei ze toen.
“Fijn toch?” zei ik. En ik meende het.
Alleen kwam er daarna steeds iets nieuws. Een coach. Een retraite in Drenthe. Koude douches. Geen koffie meer. Geen negatieve energie. Grenzen aangeven. Intenties zetten. Alleen nog eten dat haar lichaam “diende”. En op een gegeven moment leek het alsof elk gesprek een toets werd waar ik niet voor had geleerd.
Als ik zei dat ik moe was van mijn werk op kantoor, zei zij: “Maar kies je daar dan niet elke dag zelf voor?”
Als ik vertelde dat mijn moeder weer eens kritiek had op alles wat ik deed, zei ze: “Misschien spiegelt dat iets in jou.”
Spiegelt dat iets in jou. Ik hoor het haar nog zeggen terwijl ze haar thee vasthield met twee handen, rustig, bijna lief, en ik alleen maar dacht: hou alsjeblieft even op en wees gewoon mijn vriendin.
Ik heb echt geprobeerd mee te bewegen. Ik ben een keer meegegaan naar zo’n cacao-avond in Utrecht. Ik zat daar op sokken in een kring terwijl een man met een zachte g stem zei dat we onze oude pijn mochten aankijken. Sanne keek stralend om zich heen alsof ze eindelijk thuis was. Ik voelde me een figurant in iemands anders leven.
Later, op de fiets terug, zei ik nog luchtig: “Niet helemaal mijn ding, geloof ik.”
Ze lachte kort. “Nee, jij zit vaak nog veel in je hoofd.”
Dat prikte meer dan ik liet merken.
Ik denk dat de echte klap kwam in juli, toen mijn relatie met Daan uitging. Vier jaar. Gewoon voorbij. Niet eens met geschreeuw, wat bijna erger was. Hij zei dat hij zich al maanden los van mij voelde. Alsof hij het over een huurcontract had.
Ik heb Sanne toen gebeld. Trillend, jankend, echt niet chic.
Ze nam pas laat op.
“Hé Noor, ik zit net in een sessie-dag. Wat is er?”
Ik zei: “Daan is weg. Hij is net weg. Ik weet niet wat ik moet doen.”
Het bleef even stil.
Toen zei ze: “Wat heftig. Maar probeer hier ook de les in te zien. Soms verdwijnen mensen zodat je ruimte maakt voor een hogere versie van jezelf.”
Ik weet nog dat ik niets zei. Ik keek naar Daans sleutels op tafel en naar de afdruk van zijn mok op het aanrecht.
“Noor?”
“Ja,” zei ik. “Laat maar.”
Die avond kwam Judith langs, een collega met wie ik eigenlijk nog niet eens zo lang omging. Zij had geen inzichten. Geen les. Geen hogere versie. Ze had een plastic tas van de Albert Heijn mee met soep, paprikachips en tissues. Ze ging gewoon naast me zitten.
En dat was precies wat ik nodig had.
Daarna begon ik afstand te nemen. Niet expres eerst. Meer uit zelfbescherming. Als Sanne appte met dingen als “Ik voel dat jij wat weerstand op mij hebt”, kreeg ik het benauwd. Want ja, natuurlijk had ik weerstand. Ik miste haar. De oude haar. De versie die niet overal een proces van maakte.
In augustus spraken we eindelijk af, op een terras in Zwolle, halverwege voor ons allebei. Ik had me voorgenomen rustig te blijven. Geen verwijten. Gewoon eerlijk zijn.
Ze zag er anders uit. Lichter bijna. Linnen blouse, geen make-up, haar in een rommelige knot. Ze omhelsde me lang, maar het voelde vreemd. Alsof ze heel aanwezig was en toch ver weg.
Na wat gepraat over werk en haar opleiding tot ademcoach zei ik: “Ik heb soms het idee dat ik je kwijt ben.”
Ze keek meteen naar beneden. Toen naar mij.
“Omdat ik verander?”
“Nee,” zei ik. “Of ja, ook. Maar vooral omdat alles tegenwoordig om jouw ontwikkeling lijkt te draaien. Er is weinig ruimte voor iets wat gewoon pijnlijk is zonder dat het meteen betekenis moet hebben.”
Ze trok haar handen terug van haar glas.
“Dat is niet eerlijk, Noor. Ik heb eindelijk geleerd mijn grenzen te bewaken. Vroeger was ik er altijd voor iedereen en ging ik daar zelf aan onderdoor.”
“Ik vraag niet dat je jezelf wegcijfert. Ik vraag alleen of je nog mijn vriendin kunt zijn zonder me te analyseren.”
Ze werd rood in haar nek, iets wat ze vroeger ook had als ze boos werd.
“Misschien vind jij het gewoon moeilijk dat ik niet meer in oude patronen stap. Dat ik jou niet meer red.”
Dat kwam binnen. Omdat er een kern van waarheid in zat, en juist daarom deed het zo’n pijn.
“En misschien,” zei ik, echt met trillende stem, “vind jij het fijn om mensen het gevoel te geven dat ze achterlopen, omdat jij dan niet hoeft te voelen hoeveel je eigenlijk kwijt bent geraakt.”
Daar schrok ze van. Ik ook, eerlijk gezegd.
We hebben daarna nog koffie besteld alsof we twee nette vrouwen waren die een klein meningsverschil hadden. Maar de lucht was kapot. Toen we afscheid namen, zei ze: “Ik hou van je, maar ik kan niet terug naar wie ik was.”
Ik zei: “Dat vraag ik ook niet.”
Alleen wist ik ineens niet meer wat ik dan wel vroeg.
Sindsdien is het stil. Af en toe een hartje op een story. Vorige week zag ik dat ze een weekend naar Texel was met diezelfde kring mensen. Ze zag er gelukkig uit. En ik haatte mezelf een beetje omdat ik daar meteen iets zuurs bij voelde.
Ik gun haar echt dat ze zich beter voelt. Dat meen ik. Maar wanneer wordt iemands persoonlijke groei een nette manier om oude liefde los te laten zonder het hardop te zeggen?
Ben ik te gehecht aan wie wij waren, of voel ik terecht dat je niet alles “grens” kunt noemen wat eigenlijk gewoon afstand is?
Zeg het maar. Wanneer vecht je voor een band van vijftien jaar, en wanneer moet je accepteren dat je geen plek meer hebt in iemands nieuwe leven?