Na twee jaar voelt onze oudste vriend als een vreemde in mijn eigen huis

De eerste keer dat ik in mijn eigen keuken wachtte tot ik koffie mocht zetten, vond ik dat nog bijna komisch.

Henk zat aan de tafel, zoals hij altijd zat sinds hij bij ons woonde, met de krant uitgespreid en zijn pillendoosje naast zijn bord. Hij keek op zijn horloge en zei: „Normaal drink ik mijn tweede koffie pas om half tien. Anders zit ik de hele ochtend te trillen.”

Ik had om kwart voor negen al hoofdpijn. Maar ik zei: „Natuurlijk,” en ging in de bijkeuken staan wachten alsof ik op bezoek was.

Dat is nu ruim twee jaar geleden, maar dat moment blijft hangen omdat ik toen blijkbaar nog dacht dat het om koffie ging.

Mijn man Peter en ik zijn allebei 63. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van Deventer. Te groot, zeggen de kinderen al jaren. Dat klopt ook wel. Onze dochters wonen in Utrecht en Zwolle, de kamers boven staan meestal leeg, behalve als er met kerst iemand blijft slapen of onze jongste kleinkinderen komen logeren.

Henk kennen we sinds onze studententijd. Hij en zijn vrouw Marjan waren getuigen bij ons huwelijk. We gingen vroeger met twee auto’s naar Frankrijk, kinderen door elkaar op de achterbank, ruzie over de route, natte handdoeken over de stoelen. Marjan en ik belden elkaar soms drie keer per week. Niet altijd diepzinnig. Vaak gewoon over een aanbieding bij de Albert Heijn of over wie er weer een gekke opmerking had gemaakt in de familie-app.

Toen Marjan vier jaar geleden overleed aan alvleesklierkanker, was Henk kapot. Dat woord gebruik ik niet snel, maar zo zag hij er letterlijk uit. Kleiner, grijzer, alsof hij niet meer wist waar hij zijn armen moest laten. Peter was er veel voor hem. Ze gingen wandelen, eerst een uur, later nog maar twintig minuten omdat Henks longen achteruitgingen. Hij heeft COPD en sinds een longontsteking is traplopen ook lastig geworden.

Henk woonde toen alleen in een seniorenappartement op drie hoog, met een lift die om de haverklap stuk was. Na een val in de badkamer belde hij Peter, niet eens 112. Peter trof hem uren later op de grond aan, koud en beschaamd.

Daarna ging het snel. De huisarts had het over meer ondersteuning. Zijn zoon woont in Canada en zijn dochter in Groningen, maar zij heeft zelf een druk gezin en komt eerlijk gezegd vooral als er iets geregeld moet worden. Henk wilde absoluut niet naar een verpleeghuis. „Dan ga ik daar zitten wachten tot ik dood ben,” zei hij.

Peter zei onderweg naar huis: „We hebben plek zat.”

Ik zei niet meteen ja. Dat vergeet Peter soms. Ik heb gezegd dat we moesten uitzoeken wat er mogelijk was: thuiszorg, een gelijkvloerse huurwoning, misschien een aanleunwoning. Maar Henk was bang en verdrietig, en Peter keek me aan alsof een nee van mij betekende dat ik Marjan in de steek liet.

Dus hebben we de kamer beneden voor hem ingericht. We maakten afspraken, al waren ze achteraf gezien veel te vaag. Hij zou hier wonen zolang het nodig was. We zouden kijken wat hij kon bijdragen. Hij zou zoveel mogelijk zelf blijven doen. Zijn dochter hielp met de inschrijving op ons adres en de administratie.

In het begin ging het eigenlijk goed. Henk kookte op woensdag pasta, met veel te veel knoflook. Hij vertelde verhalen aan de kleinkinderen over vroeger. Hij was dankbaar, echt waar. Soms stond hij met tranen in zijn ogen in de deuropening en zei hij dat hij niet wist wat hij zonder ons moest.

Maar dankbaarheid is iets anders dan rekening houden met mensen.

Langzaam werd ons huis zijn huis, maar dan op zijn voorwaarden. De verwarming moest hoger omdat hij het koud had. De televisie stond vanaf het journaal tot laat aan in de woonkamer, want hij kon niet slapen in stilte. Hij wilde dat we rond zes uur aten, precies zoals hij en Marjan altijd hadden gedaan. Als Peter en ik later nog iets wilden kijken, kwam Henk om half tien vragen of het zachter kon omdat hij „morgen ook weer vroeg op moest”. Waarvoor vroeg, wist niemand.

Hij bemoeide zich ook met dingen waar hij vroeger nooit iets over zou hebben gezegd. Dat ik te vaak eten bestelde als ik moe was. Dat Peter beter niet nog een biertje kon nemen met zijn bloeddruk. Dat onze dochter haar kinderen te vrij opvoedde. Hij zei het niet gemeen. Juist dat maakt het lastig. Hij zei het op die zuchtende, vertrouwde toon van iemand die vindt dat hij gewoon eerlijk mag zijn.

De financiën werden het punt waarop ik niet meer kon doen alsof ik overgevoelig was.

Henk krijgt een behoorlijk pensioen van zijn oude werkgever, naast AOW. Hij spaart bijna alles. Zijn appartement is verkocht toen hij hier kwam wonen; de opbrengst staat ergens op een rekening. Toch betaalde hij niets. Geen bijdrage aan boodschappen, energie, internet, niks. Peter vond het ongemakkelijk om erover te beginnen. „Hij heeft al genoeg verloren.”

Ik heb het drie keer voorzichtig aangekaart. Eén keer zei Henk dat hij niet wist hoe dat moest met zijn toeslagen. Een andere keer zei hij: „Maar ik ben toch geen huurder?” De derde keer keek hij me aan alsof ik hem om geld vroeg voor mezelf.

„Marjan zou dit verschrikkelijk vinden,” zei hij.

Dat kwam hard aan. Niet omdat ik dacht dat het waar was, maar omdat hij precies wist waar hij me kon raken.

Ik ben geen verpleegkundige. Ik werk nog drie dagen per week op de administratie van een fysiopraktijk. Thuis doe ik zijn was niet altijd, maar vaak genoeg. Ik leg zijn medicijnen klaar als de thuiszorg later is. Ik regel afspraken als zijn dochter niet reageert. Ik luister naar verhalen die ik al tien keer gehoord heb, omdat ik weet dat eenzaamheid niet verdwijnt doordat je zegt dat iemand zich moet herhalen.

Maar ik begon slecht te slapen. Ik zat soms in mijn auto op de parkeerplaats van de Jumbo nog vijf minuten voor ik naar binnen ging. Niet omdat ik Henk haatte. Daar schaam ik me zelfs voor dat ik het moet uitleggen. Ik wilde gewoon niet weer hoeven nadenken over hoe laat ik mocht koken, douchen of een vriendin uitnodigen.

Vorige maand belde mijn zus en zei dat ik een paar nachten bij haar moest komen. Ze woont in Apeldoorn, klein rijtjeshuis, rommelig, twee katten. Daar heb ik op haar logeerkamer geslapen met een dekbed dat naar wasverzachter rook. De tweede ochtend zette ik koffie om zeven uur. Gewoon omdat ik daar zin in had. Ik moest er bijna van huilen.

Toen ik thuiskwam, heb ik tegen Peter gezegd dat het zo niet verder kon. Niet als dreigement, maar omdat ik echt aan het einde zat.

Ik heb voorgesteld dat we samen met Henk en zijn kinderen zouden kijken naar een gelijkvloers appartement met thuiszorg in de buurt. Er zijn wachtlijsten, dat weet ik. Misschien duurt het maanden. Maar er moest een plan komen, een financiële bijdrage zolang hij hier woonde, en duidelijke afspraken over ons huis.

Peter werd wit. „We hebben hem beloofd dat hij niet alleen zou zijn tot het einde.”

„Ik heb niet beloofd dat ik mezelf zou kwijtraken,” zei ik.

Henk hoorde ons blijkbaar in de keuken. Later die avond stond hij met zijn rollator in de gang. Hij zei heel zacht dat hij nooit had gedacht dat wij hem eruit zouden werken. Vooral ík niet. Marjan en ik waren toch als zussen.

Ik kon alleen zeggen dat ik niet wilde dat hij op straat stond. Dat wilde ik echt niet. Maar hij keek langs me heen naar Peter, alsof het oordeel al vaststond.

Morgen ga ik weer naar mijn zus. Niet voorgoed, zeg ik tegen iedereen. Peter heeft toegezegd dat hij deze week Henks dochter belt. Henk praat bijna niet meer tegen mij, behalve als hij iets nodig heeft.

Vanmorgen lag er een brief van de energieleverancier op de mat. Ik heb hem op de stapel gelegd en ben zonder koffie de deur uitgegaan.