Na twee jaar zorgen voor onze beste vrienden boekten we één week vakantie — en werd onze vriendschap ineens verraad genoemd
De laatste tijd schrik ik al van het geluid van mijn telefoon.
Niet omdat ik bang ben dat er iets met onze kinderen is. Die zijn 34 en 37, wonen allebei op zichzelf en sturen meestal een foto van een kleinkind of een vraag over een recept. Het is de vaste lijn waar ik nerveus van word. Die van Henk en Marijke.
Wij kennen hen al sinds 1988. We woonden toen tegenover elkaar in een rijtje in Nieuwegein, met kleine kinderen, een lekke schuur en te weinig geld voor een fatsoenlijke vakantie. Mijn man Rob en Henk legden samen een terras aan dat binnen een jaar alweer verzakte. Marijke en ik hebben ontelbare avonden aan onze keukentafel gezeten met een fles goedkope witte wijn ertussen. Onze kinderen gingen samen op zwemles. Later gingen we met z’n vieren kamperen in Frankrijk, toen met een huisje in Drenthe, en uiteindelijk werd het traditie om met oud en nieuw bij elkaar te eten.
Het was nooit een vriendschap waarbij je eerst hoefde te vragen of iets uitkwam. We liepen bij elkaar binnen. Henk had een reservesleutel van ons huis, wij van hen. Dat voelde niet bijzonder, het was gewoon zo gegroeid.
Tweeënhalf jaar geleden kreeg Marijke de diagnose alvleesklierkanker. Ik weet nog dat ze het zei alsof ze het over iemand anders had. Ze zat op de rand van haar stoel, met haar jas nog aan.
“Ze gaan behandelen,” zei ze. “Dus we gaan ervoor.”
In het begin deden we wat vrienden doen. We reden mee naar afspraken als Henk niet kon. Ik kookte extra en zette een pan soep bij hen neer. Rob maaide hun gras. Er kwam van alles op ze af: uitslagen, chemokuren, formulieren, thuiszorg die op andere tijden kwam dan afgesproken. Henk is nooit goed geweest met administratie. Hij werkte vroeger in de buitendienst en als er een envelop kwam, legde hij die soms weken op de kast.
Dus ik hielp met inloggen bij de zorgverzekeraar, machtigingen regelen, een overzicht maken van rekeningen. Rob ging mee naar de garage toen hun auto gekeurd moest worden. Op een gegeven moment deden we ook de boodschappen, omdat Marijke misselijk werd van geuren in de supermarkt.
Niemand heeft ons daartoe gedwongen. Dat wil ik eerlijk zeggen. Ik vond het zelfs fijn om iets te kunnen doen, omdat je verder zo machteloos bent bij ziekte.
Maar de behandelingen sloegen minder goed aan dan gehoopt. Marijke werd zwakker. Er kwam palliatieve thuiszorg. En zonder dat er ooit een gesprek over was, werden wij een soort extra dienst naast die thuiszorg.
Als de medicijnen op waren, belde Henk ons. Als de vuilniscontainer aan de straat moest, belde hij ons. Als Marijke ’s avonds onrustig was, belde hij soms Rob omdat hij niet wist wat hij moest zeggen. Op zaterdagmorgen stond er een appje: of ik even langs de apotheek kon. Op zondagavond: of Rob naar de cv-ketel wilde kijken, want het lampje brandde rood.
Het was niet één groot verzoek. Dat maakt het misschien juist moeilijk. Het waren allemaal kleine dingen die afzonderlijk redelijk leken.
Ik werk nog drie ochtenden per week bij een fysiopraktijk. Niet omdat het financieel per se moet, maar ik vind het prettig. Even andere mensen, andere gesprekken dan ziekte en boodschappenlijstjes. Vorig voorjaar merkte ik dat ik op mijn werk naar de wc ging om daar vijf minuten te huilen. Niet eens omdat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Omdat Henk me die ochtend drie keer had gebeld terwijl ik een patiënt aan de balie hielp.
Rob zei dan: “Hij zit gewoon aan zijn taks, Els.”
Dat wist ik ook. Henk ziet zijn vrouw achteruitgaan. Hun dochter woont in Groningen en komt wanneer ze kan, maar heeft zelf een druk gezin. Hun zoon woont in Canada. Henk is bang, eenzaam en soms ronduit in paniek.
Alleen: ik was inmiddels ook bang. Ik sliep licht, met mijn telefoon op het nachtkastje. Als wij een keer naar de film gingen, checkte Rob in de pauze of Henk had gebeld. We zegden etentjes af met andere mensen omdat we niet wisten of er die avond iets zou zijn. Mijn schilderclub op woensdagavond liet ik steeds vaker schieten. Ik schaamde me zelfs een beetje als ik er wél heen ging, alsof ik iets gezelligs deed wat eigenlijk niet mocht.
In oktober heb ik tegen Rob gezegd dat dit zo niet verder kon.
We zaten in de auto na een bezoek aan Marijke. Zij sliep toen veel. Henk had ons bij de voordeur nog gevraagd of we zondagavond beschikbaar waren, ‘voor het geval dat’.
“Ik trek het niet meer,” zei ik.
Rob keek strak voor zich uit. “Wat bedoel je precies?”
“Dat we niet meer standaard beschikbaar kunnen zijn. We kunnen helpen, natuurlijk. Maar niet elke avond, niet elk weekend. We moeten afspraken maken.”
Hij werd stil. Daarna zei hij dat ik hard klonk.
Dat deed pijn, juist omdat ik zelf al maanden dacht dat ik tekortschiet. Ik zei iets onaardigs terug, dat híj makkelijk kon praten omdat hij nog twee keer per week kon golfen. Dat was niet helemaal eerlijk; hij zei zijn rondjes ook vaak af. Maar hij ging soms toch, terwijl ik altijd degene was die de boodschappen, de apotheek en de appjes met de thuiszorg opving.
De week erna hebben we, na lang twijfelen, een vakantie geboekt. Zeven nachten in een klein appartement op Texel, in mei. Geen verre reis. Gewoon fietsen, wandelen en misschien eindelijk eens uitslapen zonder dat de telefoon om half acht gaat.
We wilden het meteen aan Henk vertellen, ruim op tijd. Rob deed dat, omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen of me zou laten overhalen.
Henk luisterde eerst zonder iets te zeggen. Marijke lag in de woonkamer onder een deken en keek naar de televisie, maar ik weet niet hoeveel ze meekreeg.
Toen zei Henk: “Dus jullie gaan gewoon weg.”
Rob legde uit dat we de thuiszorg zouden vragen wat er geregeld kon worden, dat zijn zus misschien een paar dagen kon komen en dat we bereikbaar bleven voor echte noodgevallen.
“Bereikbaar vanaf Texel,” zei Henk. “Daar heb ik dus niks aan als er hier iets gebeurt.”
Rob zei dat er ook een huisarts, wijkverpleging en een palliatief team waren. Henk werd rood. Hij zei dat die mensen diensten draaien, maar dat wij hun vrienden waren. Dat je vrienden niet in een schema zet.
Ik zei uiteindelijk, veel te scherp: “Maar wij zijn geen zorginstelling, Henk.”
Hij keek me aan alsof ik Marijke persoonlijk had laten vallen. “Nee,” zei hij. “Dat merk ik nu wel.”
Sindsdien is het vreemd. Marijke appt me soms nog een hartje of vraagt hoe het met de kleinkinderen gaat. Henk reageert kort, of helemaal niet. Gisteren belde hij voor een recept dat opgehaald moest worden. Rob is gegaan, hoewel we hadden afgesproken dat Henk eerst de apotheekbezorging zou proberen. Ik zei er niets van. Ik zag aan Rob dat hij zich schuldig voelde voordat hij zijn jas aantrok.
De vakantie staat nog steeds geboekt. Ik heb de bevestiging drie keer willen annuleren en drie keer weer dichtgeklikt.
Vanavond gaan Rob en ik opnieuw praten, zegt hij. Niet over Texel alleen. Over wat we nog kunnen dragen, en wat we niet meer beloven omdat we bang zijn iemand teleur te stellen.
Ik hoop dat we daar uitkomen voordat Henk weer belt. Maar eerlijk gezegd hoop ik ook dat hij belt, want dan weet ik tenminste weer precies wat er van ons verwacht wordt.