Hij wilde niet weg uit liefde, maar omdat hij zichzelf kwijt was geraakt
Ik had de map met woningen al drie maanden op mijn laptop staan voordat Joris zei dat hij weg wilde.
Niet dat we concreet op huizenjacht waren. In onze prijsklasse in Utrecht stelde dat ook niet zoveel voor. We huurden een appartement op Kanaleneiland, derde verdieping, twee slaapkamers waarvan de tweede vooral dienstdeed als rommelkamer met een droogrek. Maar we keken wel. Op Funda, op zondagavond, met een glas wijn en altijd hetzelfde soort opmerkingen.
“Leuk, maar veel te klein.”
“Die keuken is echt uit 1987.”
“Als we ooit iets buiten de stad doen, wil ik wel een tuin.”
Ik had daar meer betekenis aan gegeven dan misschien verstandig was. Hij ook, dacht ik. We waren elf jaar samen. Geen kinderen, wel een kat die Kees heette en een gezamenlijke spaarrekening waar we allebei iedere maand iets op stortten. Niet indrukwekkend veel. Maar het voelde als bewijs dat we ergens naartoe werkten.
Joris werkte als projectleider bij een adviesbureau. Ik ben planner bij een installatiebedrijf. Mijn werk is niet spannend, maar ik ben er goed in. Ik houd van duidelijkheid: mensen die om zeven uur op een bouwplaats moeten zijn, materiaal dat te laat dreigt te komen, een planning die op donderdag alweer anders is dan op maandag. Aan het eind van de dag weet ik meestal wat ik heb opgelost.
Joris vond dat vroeger juist prettig aan mij. “Jij bent mijn anker,” zei hij soms.
De laatste anderhalf jaar zei hij het niet meer.
Hij was onrustig geworden, eerst op een manier die ik nog begreep. Zijn werk was veranderd, er kwam een nieuwe directeur, hij kreeg minder vrijheid. Hij keek ’s avonds op zijn telefoon naar vacatures in Berlijn, Kopenhagen, Lissabon. Niet echt solliciteren, zei hij. Gewoon kijken.
Ik maakte er grappen over. Of hij dan eindelijk een wollen muts en een racefiets met een mandje wilde.
Achteraf denk ik dat ik te snel gerustgesteld wilde worden. Ik hoorde wat hij zei, maar ik maakte er iets kleins van omdat ik niet wist wat ik anders moest doen.
In november kwam hij thuis met een veel te dure jas die hij in de aanbieding had gekocht. Hij zette zijn tas neer, gaf Kees geen aandacht en ging aan de keukentafel zitten. Ik stond spruitjes af te gieten. Zo’n avond. Regen tegen het raam, de verwarming die tikte.
Hij zei dat hij had gesolliciteerd bij een bureau in Antwerpen.
Ik zei: “Oké.” Niet boos. Ik wist even niet welk gevoel er verwacht werd.
Hij keek naar zijn handen. “Ze hebben me waarschijnlijk.”
“Waarschijnlijk?”
“Ze willen dat ik volgende week langskom. Maar het is meer een formaliteit.”
Ik vroeg hoe lang hij daar dan heen moest. Hij zei dat het een vaste baan was. Hij zei ook dat hij niet wist of hij een relatie op afstand wilde. Dat kwam er vrij snel achteraan, alsof hij het al honderd keer in zijn hoofd had geoefend en bang was dat ik hem zou onderbreken.
Ik herinner me vooral dat ik het vergiet nog vasthield. Dat water bleef maar uit die spruitjes lopen.
“Dus je hebt al besloten?” vroeg ik.
“Nee,” zei hij meteen. “Ik probeer juist eerlijk te zijn.”
Daar was ik toen heel kwaad om. Want eerlijk zijn klonk alsof hij mij een gunst deed, terwijl ik me vooral buitengesloten voelde uit een besluit dat kennelijk al maanden onderweg was.
Hij ging uiteindelijk naar Antwerpen. Eerst zou het tijdelijk zijn. Drie maanden proberen. Ik zou om de week met de trein komen, hij zou hier ook blijven komen. We hadden nog geen grote ruzie gehad, dus ik dacht: misschien is dit niet het einde. Misschien moet ik niet meteen die persoon worden die alles kapotpraat omdat hij bang is.
De eerste weken deden we ons best. We stuurden foto’s van ons eten, belden ’s avonds. Ik ging twee keer naar hem toe. Hij had een studio gehuurd boven een bakkerij, met een scheve vloer en een douche waar je zijwaarts in moest staan. Hij leek er vreemd genoeg lichter. Niet per se gelukkiger, maar minder ingehouden.
De derde keer dat ik er was, lag zijn telefoon op tafel terwijl hij beneden brood haalde. Er kwam een bericht binnen van iemand die ik niet kende: “Ik vond het fijn dat je gisteren bleef.”
Ik heb niet verder gekeken. Ik weet dat mensen daar uiteenlopende meningen over hebben, maar ik kreeg een soort kou in mijn buik. Alsof ik al wist dat er achter dat ene zinnetje een hele wereld zat waar ik niet meer bij hoorde.
Toen hij terugkwam met croissants, vroeg ik wie Noor was.
Hij zei eerst dat het een collega was. Daarna zei hij dat er iets was gebeurd. Een paar weken eerder. Hij zei dat het niet gepland was en dat hij zich er rot over voelde. Alle bekende woorden kwamen langs. Verwarring. Druk. Eenzaamheid. Geen excuus.
Ik wilde schreeuwen, maar dat lukte niet eens. Ik zat op zijn bed met mijn jas nog aan en keek naar een vlek op de muur.
Het ergste was niet eens dat hij met iemand anders naar bed was geweest. Tenminste, niet alleen dat. Het was dat ik ineens begreep waarom hij zo zeker had geklonken over die baan. Hij had niet alleen een baan gezocht. Hij had een uitweg gebouwd, stap voor stap, en ik was blijven wachten tot hij me erbij zou betrekken.
Toch heb ik nog geprobeerd het te redden. Daar schaam ik me soms voor, al weet ik niet waarom. We gingen videobellen met een relatietherapeut in Utrecht. Joris kwam een paar weekenden terug. We praatten over behoeften en patronen en hoe ik dichtklapte als iets onzeker werd. Dat was waar. Ik kan slecht tegen veranderingen die ik niet zelf heb gekozen.
Maar hij kon ook slecht tegen een leven dat niet voortdurend groter hoefde. Dat zei hij niet zo hardop, maar zo voelde het. Mijn tevredenheid met ons kleine huis, mijn vaste werk, vrijdag patat halen bij de snackbar om de hoek: voor hem was het op een gegeven moment gaan lijken op stilstaan.
In februari zei hij dat hij niet terug zou komen.
Hij huilde toen hij het zei. Ik ook. Dat maakte het niet mooier. Hij wilde geen nare breuk, zei hij. Alsof je dat samen kunt afspreken.
Hij liet Kees bij mij, omdat de studio te klein was. De gezamenlijke rekening hebben we verdeeld zonder gedoe. Ik bleef in het appartement, maar alleen kon ik de huur eigenlijk niet dragen. Mijn zus Marieke heeft drie avonden met mij aan de telefoon gezeten om mijn inkomsten en vaste lasten in een Excelbestand te zetten. Ik haatte dat. Niet haar hulp, maar dat ik 39 was en weer moest uitrekenen of ik een andere zorgverzekering moest nemen om hier te kunnen blijven wonen.
Uiteindelijk heb ik een kleiner appartement in Nieuwegein gevonden. Niet leuk, wel haalbaar. De verhuisdozen staan er nu nog deels in de woonkamer. Ik eet aan een klaptafel omdat ik de eettafel aan Joris heb meegegeven. Dat was praktisch; hij had hem ooit van zijn ouders gekregen.
Vorige week stuurde hij een foto van Kees die ik blijkbaar een jaar geleden had gemaakt. Hij schreef: “Ik mis hem. En jou soms ook, op een andere manier.”
Ik heb die zin de hele avond aangekeken. Eerst wilde ik antwoorden dat ik hem ook miste. Toen wilde ik iets gemeens sturen. Uiteindelijk heb ik alleen geschreven: “Ik hoop dat het goed met je gaat.”
Dat klinkt afstandelijker dan ik me voelde.
Vanavond moet ik nog een lamp ophangen in de slaapkamer. Ik heb geen boormachine, dus ik ga er eentje lenen van mijn buurman. Kees ligt al sinds vanmiddag in de lege doos van de waterkoker. Het is stil hier, maar niet meer op dezelfde manier als in die laatste maanden met Joris.
Ik weet nog steeds niet of ik te snel had moeten loslaten, of juist eerder had moeten vragen wat er werkelijk speelde. Misschien had ik harder moeten vechten. Misschien was vechten alleen een manier om niet te hoeven erkennen dat hij al weg was.
Morgen gaat mijn wekker om half zes. Er moet iemand naar een bouwplaats in Houten omdat er een levering verkeerd is ingepland. Ik heb het al opgelost, denk ik.