Ik kwam tijdelijk bij mijn dochter wonen, maar langzaam voelde ik me haar onbetaalde oppas én haar last
De eerste keer dat ik dacht dat ik misschien te lang bij mijn dochter woonde, stond ik om half zeven ’s ochtends boterhammen te smeren met pindakaas en hagelslag.
Niet voor mezelf. Voor Mees en Lotte, mijn kleinkinderen.
Ik deed het zonder erbij na te denken. De broodtrommels stonden links in de la, de drinkbekers ernaast. Mees wilde geen korstjes meer, tenzij zijn moeder erbij was. Lotte wilde haar banaan los mee, want anders werd die “slap”. Ik wist het allemaal.
Mijn dochter Sanne kwam beneden in haar badjas, met haar telefoon in haar hand en haar haar nog plat aan één kant.
“Pap, heb jij toevallig mijn blauwe blouse gezien?” vroeg ze.
Ze zei niet goedemorgen. Ik nam het haar niet eens kwalijk. Zij en Koen werkten allebei veel, de kinderen moesten naar school, en sinds mijn flat gerenoveerd werd sliep ik in hun kleine werkkamer. Iedereen was moe.
Dat was tenminste wat ik mezelf vertelde.
Ik ben 67, weduwnaar, vroeger buschauffeur geweest bij Qbuzz. Mijn vrouw, Els, is drie jaar geleden overleden. Daarna werd mijn flat in Nieuwegein eerst heel stil en later gewoon leeg. Dat is iets anders. Stilte kan prettig zijn. Leegte niet altijd.
Toen de woningcorporatie aankondigde dat de badkamer en leidingen vervangen moesten worden, zou ik zes weken ergens anders moeten verblijven. Sanne zei meteen dat ik bij haar kon komen.
“Scheelt jou gedoe met zo’n wisselwoning,” zei ze. “En de kinderen vinden het heerlijk als opa er is.”
Ik voelde me oprecht opgelucht. Niet alleen vanwege dat gedoe met een logeerwoning. Vooral omdat iemand me nodig had.
De eerste weken waren eigenlijk best gezellig. Ik haalde de kinderen op, kookte op dinsdag stamppot of pasta, en ik liep met Koen naar de bouwmarkt als er weer iets kapot was. Hij is geen onvriendelijke jongen. Hij werkt in de IT en praat weinig als hij thuiskomt, maar hij zet altijd koffie voor me. Of hij deed dat in het begin.
Na een tijdje werd het vanzelfsprekend.
“Pap, kun jij vandaag iets eerder naar school?”
“Pap, zou jij de was even kunnen ophangen?”
“Pap, we hebben vanavond oudergesprek, red jij het eten?”
Het waren geen rare vragen. Ik had ook tijd. Mijn kaartclub was tijdelijk gestopt omdat ik te ver weg zat, en ik kende in hun nieuwbouwwijk niemand. Dus ik zei ja. Altijd.
Soms dacht ik aan Els. Die kon me dan aankijken, zonder iets te zeggen, als ik weer ergens ja op zei waar ik eigenlijk geen zin in had. Dan trok ze één wenkbrauw op. Ik miste die wenkbrauw belachelijk vaak.
Na zes weken was mijn flat nog niet klaar. Er was iets met schimmel achter een koof, zei de uitvoerder. Daarna moesten er tegels opnieuw besteld worden. Sanne zei dat ik natuurlijk kon blijven.
Maar ze zei het terwijl ze de vaatwasser inruimde en met haar schouder haar telefoon tussen oor en kin klemde. Het klonk niet als een uitnodiging. Meer als iets wat nu eenmaal moest.
Ik begon kleiner te leven in dat huis. Ik keek geen televisie meer in de woonkamer als zij er waren. Ik wachtte met douchen tot iedereen klaar was. Als Koen thuiswerkte, liep ik zacht langs zijn deur, ook al was het mijn kleinkind dat boven keihard op een trommel sloeg.
Mijn spullen stonden in twee boodschappentassen en een koffer onder het logeerbed. Mijn overhemd hing over een stoel, omdat er in die kamer geen kast was. Op een gegeven moment vouwde ik het iedere ochtend op. Niet omdat dat nodig was, maar omdat ik niet wilde dat het leek alsof ik er woonde.
Op een woensdagmiddag hoorde ik Sanne bellen op het balkon. Ik zat binnen aan tafel met de administratie van de VvE van mijn oude flat, wat ik eigenlijk al drie keer had gelezen.
De deur stond op een kier.
“Ja, hij is lief hoor,” hoorde ik haar zeggen. “En hij doet echt veel met de kinderen. Maar het is wel… ja, een extra zorg. Je moet toch rekening houden met iemand in huis. En ik heb soms het gevoel dat ik voor hem moet zorgen én dat ik hem werk moet geven, anders zit hij daar zo alleen.”
Ze zei het niet gemeen. Dat maakte het erger.
Ik bleef naar die papieren kijken alsof daar iets belangrijks op stond. Ik weet nog dat er een vlek koffie naast mijn hand lag. Ik had die koffie zelf gezet, voor iedereen, maar hij was koud geworden.
Die avond zei ik niets. Ik kookte macaroni. Mees vertelde dat hij een 8,5 had voor topo. Lotte wilde niet eten omdat de saus “stukjes” had. Koen vroeg of ik vrijdag misschien de pakketbezorger kon opvangen, want er kwam een nieuw bureau.
Ik zei ja.
Daar schaam ik me nog steeds een beetje voor. Niet omdat ik niet wilde helpen, maar omdat ik ineens begreep dat ik bang was om niet meer gevraagd te worden.
Twee dagen later belde de woningcorporatie. Mijn flat was vanaf maandag weer bewoonbaar. De badkamer was af, al moesten er nog wat kleine dingen gebeuren. Ik zei dat ik maandag wel terug zou gaan.
Sanne werd stil.
“Maandag al?”
“Ja. Dan ben ik jullie ook niet meer tot last.”
Dat floepte eruit. Meteen voelde ik dat het kinderachtig klonk.
“Pap, zo bedoel ik het niet,” zei ze.
Ik had haar kunnen vertellen wat ik gehoord had. Ik had kunnen vragen waarom ze tegen een vriendin wel eerlijk was en tegen mij alleen zei dat alles prima ging. Maar ik had geen zin in een gesprek waarin zij zou huilen en ik uiteindelijk zou zeggen dat het mijn eigen schuld was dat ik het verkeerd had opgevat.
Dus ik zei alleen: “Nee, dat weet ik.”
Maandag hielp Koen mijn koffer naar beneden. De kinderen waren al op school. Sanne stond in de hal met een zak mandarijnen voor onderweg, alsof ik naar een vakantiehuisje ging.
Ze vroeg: “Vind je het echt niet jammer dat je weer alleen zit?”
Ik zei dat ik mijn eigen stoel miste.
Dat was waar, maar niet het hele verhaal.
Ik woon nu weer bijna twee maanden thuis. De badkamer ruikt nog naar kit en nieuw hout. Soms komt Sanne langs met de kinderen. Dan neem ik ze mee naar het park of bak ik pannenkoeken. Ik let er wel op dat ik ze op tijd terugbreng. Niet omdat iemand dat van me gevraagd heeft, maar omdat ik niet opnieuw ongemerkt onderdeel wil worden van hun rooster.
Vorige week appte Sanne: “Pap, wil je donderdag oppassen? Alleen als het uitkomt hoor.”
Ik heb de melding gezien terwijl ik bij de supermarkt stond, met een pak melk en kattenvoer in mijn mandje. Ik heb pas thuis geantwoord.
“Donderdag kan ik niet. Ik heb kaarten.”
Dat was niet eens helemaal waar. De kaartmiddag was die week afgezegd.
Maar ik ben alsnog naar het buurthuis gegaan. Ik heb koffie gedronken met twee mannen die ik nauwelijks ken en een mevrouw die steeds over haar heup praatte. Het was niet bijzonder gezellig.
Toch bleef ik tot half vijf.