Na 34 jaar vriendschap vertelden we dat we drie jaar naar Denemarken gaan

De appgroep heet nog steeds ‘Vier op reis’. Er staat een foto in van ons alle vier op een veel te winderig terras in Bretagne, met van die dunne plastic wijnglazen waar de rosé uit lekte. Ieder voorjaar begon daar de discussie: Frankrijk weer, of eens Italië? En dan eindigde het meestal toch in Frankrijk, omdat Kees niet wilde vliegen en Marjan altijd wel iemand kende met een huisje via via.

Sinds ik drie weken geleden vertelde dat Ellen en ik misschien drie jaar naar Denemarken gaan, heeft niemand meer iets in die groep gezet.

Ik ben 62, Ellen is 60. We wonen in Amersfoort, in een rijtjeshuis waar de kinderen allang niet meer wonen maar waar nog steeds een kapstok hangt vol oude jassen die niemand aantrekt. Kees en Marjan wonen tien minuten fietsen verderop. We kennen elkaar sinds onze oudste kinderen bij elkaar in de kleuterklas zaten. Dat is 34 jaar geleden.

We hebben elkaars scheidingen van broers en zussen, overlijdens, promoties, verbouwingen en puberende kinderen meegemaakt. Niet op een grote, dramatische manier. Gewoon: er zijn. Soep brengen als iemand griep had. Een reserve sleutel hebben. Marjan die zonder vragen de planten water gaf toen mijn moeder in het ziekenhuis lag. Kees die twee dagen heeft geholpen met onze badkamer, hoewel hij daarna zelf een week rugpijn had.

Ik werk al mijn hele leven in de verpakkingsindustrie. Eerst in loondienst, later met een compagnon een klein bedrijfje gehad. Niets spectaculairs. Vorig jaar is dat bedrijf verkocht. Ik ben daarna nog een paar dagen per week gaan adviseren voor een oude relatie in Zwolle, vooral omdat ik niet wist wat ik anders met mijn dinsdagen moest.

En toen belde Bas, een oud-collega. Hij zit bij een Deens familiebedrijf dat biologische verpakkingen maakt. De eigenaar wil met pensioen, de zoon heeft er geen zin in, en er moest iemand komen die de boel drie jaar kan overnemen en rustig kan maken voor een verkoop of een nieuw managementteam. Goed salaris, een woning vlak bij Aarhus, auto erbij. Ik dacht eerst dat hij een grap maakte.

Ellen zei binnen twee dagen: ‘We doen het.’

Dat verbaasde me nog het meest. Zij heeft jarenlang in het basisonderwijs gewerkt en was juist blij dat ze minder uren draaide. Maar ze keek me aan alsof ik haar eindelijk iets had voorgesteld waar ze al jaren op wachtte.

‘Als we het niet doen omdat het gedoe is, doen we straks helemaal niks meer,’ zei ze. ‘Dan gaan we nog twintig jaar naar de camping in de Dordogne en doen we alsof dat een keuze is.’

Ik wilde nog zeggen dat drie jaar geen vakantie is. Dat ik daar gewoon weer lange dagen ga maken, waarschijnlijk meer dan nu. Maar ik begreep wat ze bedoelde. We zijn allebei gezond, voor zover je dat op onze leeftijd kunt zeggen. Geen kleinkinderen waar we structureel op passen. Het huis kan verhuurd worden aan onze dochter en haar vriend, die zich anders toch geen huurwoning kunnen veroorloven. Alles viel, irritant genoeg, vrij logisch op zijn plek.

We hebben Kees en Marjan uitgenodigd om te eten. Ik had pasta gemaakt, veel te veel, zoals altijd. Marjan prikte er wat in zonder echt te eten. Kees had die avond al twee keer gevraagd of we nog een wijn hadden die niet zo zwaar was.

Toen vertelde ik het.

Eerst was het stil. Niet de leuke stilte van mensen die verrast zijn. Meer alsof iemand vergeten was de verwarming aan te zetten.

‘Drie jaar?’ vroeg Marjan.

‘Ja. Waarschijnlijk. Het contract is nog niet helemaal rond.’

Kees keek naar zijn bord. ‘Dus jullie zijn gewoon weg.’

Ellen zei dat Aarhus echt niet aan de andere kant van de wereld lag. Dat we met de auto terug konden, dat er directe vluchten zijn vanaf Schiphol, dat ze konden komen logeren. Terwijl ze dat zei, hoorde ik zelf al hoe het klonk. Alsof je een bezoekje aan Legoland aanbiedt als oplossing voor iets anders.

Marjan begon over haar knie. Ze heeft artrose en er staat misschien een operatie aan te komen, maar de orthopeed wil nog even afwachten. Dat wist ik natuurlijk. Kees heeft vorig jaar een lichte beroerte gehad. Hij is goed hersteld, zegt iedereen, maar hij raakt sneller moe en hij wordt soms zoekend als hij zijn woorden kwijt is. Hij heeft daar zelf een hekel aan als je het benoemt.

‘We dachten eigenlijk dat we de komende jaren wat meer samen zouden doen,’ zei Marjan. ‘Niet per se elke dag, maar… nou ja. We worden niet jonger.’

Ik zei iets stoms. Ik zei: ‘Dat snap ik, maar we zijn toch niet dood?’

Kees keek me toen eindelijk aan. ‘Nee, maar je kiest er wel voor om er niet te zijn.’

Die zin bleef de rest van de avond in mijn hoofd hangen. Ook nu nog.

Ik snap hun kant echt wel. Hun dochter woont in Groningen en komt met haar gezin wanneer het uitkomt. Hun zoon zit in Canada. Wij zijn de mensen die op zondag even langsfietsen. Als Kees weer eens duizelig is, belt Marjan soms Ellen eerder dan de huisarts, geloof ik. Dat vind ik niet verkeerd. Of vond ik niet verkeerd.

Maar er zit ook iets in mij dat boos wordt als ik eraan denk. Niet omdat ze ons gaan missen. Daar zou ik bijna trots op zijn. Maar omdat het lijkt alsof ze al jaren een afspraak in hun hoofd hadden gemaakt waar ik niet bij was: wij vier, hier, tot het niet meer kan.

Een week later belde ik Kees om te vragen hoe het ging. Hij nam pas na een paar uur op.

‘Prima,’ zei hij.

Ik vroeg of hij nog boos was.

‘Boos is een groot woord.’

‘Je klinkt wel zo.’

Toen zei hij: ‘Jij vraagt eigenlijk of ik blij voor je kan zijn, terwijl ik net doorheb dat mijn vaste grond verdwijnt.’

Daar kon ik niet veel tegenin brengen. Alleen dat ik ook niet verwacht had dat deze kans nog kwam. Dat ik niet op mijn 62e ineens een ander leven wilde beginnen zonder hen, maar dat het wel gebeurde.

Hij zei: ‘Jullie hebben altijd iets nodig om naartoe te werken. Een nieuwe keuken, een bedrijf, een reis. Wij dachten dat het nu eindelijk rustig werd.’

Dat was niet helemaal eerlijk, maar ook niet helemaal onwaar.

Ellen is harder dan ik in dit soort dingen. Niet koud, maar ze kan ergens doorheen kijken waar ik omheen blijf draaien. Toen ik haar vertelde wat Kees had gezegd, zei ze dat ze bang zijn. ‘En dat mag. Maar ze mogen hun angst niet bij ons neerleggen alsof wij hem moeten oplossen.’

Later, toen ze zag dat ik daar stil van werd, zei ze zachter: ‘Misschien ben ik ook bang. Alleen wil ik niet dat angst onze agenda bepaalt.’

Vorige zaterdag kwamen Kees en Marjan onverwacht koffie drinken. Marjan had appeltaart van de Hema meegenomen, nog in het kartonnen doosje. Kees had een lijstje bij zich met praktische vragen. Of onze dochter dan in ons huis zou wonen. Of we een zorgvolmacht hadden geregeld. Of we al wisten hoe vaak we terugkwamen.

Het was bijna alsof ze probeerden te bewijzen dat het plan onverantwoord was. Tegelijk was het ook ontroerend, want Kees had duidelijk nagedacht over dingen waar ik zelf nog niet eens aan toe was gekomen.

Toen ze weggingen, omhelsde Marjan Ellen heel lang. Mij gaf ze alleen een kus op mijn wang.

Morgen moet ik Bas bellen. Hij wil weten of we definitief ja zeggen, omdat hij anders verder moet zoeken. Ellen heeft de map met papieren al op tafel gelegd. De woning in Aarhus staat op foto’s met een lichte houten vloer en een balkon waar je volgens de makelaar de zee bijna kunt ruiken.

In de appgroep staat nog steeds niets. Ik heb gisteren getypt: ‘Zullen we in juni nog een weekend weg, voordat alles verandert?’

Ik heb het niet verstuurd.

Niet omdat ik denk dat ze nee zeggen. Ik ben vooral bang dat ze ja zeggen uit verdriet, en dat ik dan de hele tijd voel dat wij al met één been weg zijn.