Ik dacht eindelijk een lieve man te hebben ontmoet, maar na één date voelde ik me al volledig alleen

Ik heet Iris, ik ben 34 en ik werk als juf op een basisschool in Amersfoort. Ik ben zo iemand die nog gelooft in kleine dingen. Een hand op je rug als je een druk café binnenloopt. Een berichtje aan het einde van de dag. Onthouden dat ik op woensdag altijd kapot ben, omdat groep 6 me dan helemaal leegtrekt. Niet groots. Gewoon… aandacht.

Na twee jaar alleen zijn had ik mezelf eindelijk zover gekregen om een datingapp te installeren. Met lichte schaamte ook, als ik eerlijk ben. Mijn collega Marieke zei nog: “Hou op, half Nederland zit daarop.” Misschien is dat ook zo. Maar ik vond het toch iets verdrietigs hebben, dat swipen op de bank met een kop muntthee en de televisie aan op de achtergrond.

Daar kwam ik hem tegen: Victor. 38, uit Utrecht, projectmanager, leuke lach, nette foto’s, geen sportschoolspiegel-selfies. Hij stuurde geen flauwe openingszin, maar vroeg welk boek er op mijn nachtkastje lag. Ik weet nog dat ik glimlachte. Echt glimlachte. We appten bijna twee weken. Niet de hele dag, maar genoeg om zin te krijgen in meer. Hij noemde me warm. Zei dat ik “echt vrouwelijk” overkwam. Een beetje ongemakkelijk woord misschien, maar ik begreep wat hij bedoelde.

Onze eerste date was op een vrijdagavond in een wijnbar vlak bij de Oudegracht. Ik had veel te lang voor mijn kledingkast gestaan. Uiteindelijk droeg ik een donkergroene jurk en laarzen met lage hak. Simpel, maar mooi. Ik was zenuwachtig zoals een puber. Dat gevoel had ik al jaren niet meer gehad.

Hij was er al toen ik binnenkwam.

Hij keek op van zijn telefoon, stond op, gaf me een snelle halve knuffel en zei: “Hé, gezellig. Je bent kleiner dan ik dacht.”

Ik lachte het weg. “Jij ook hallo.”

Achteraf denk ik: daar begon het al. Niet groot, niet dramatisch. Maar het prikte. Alsof ik meteen net niet goed binnenkwam.

We gingen zitten. Hij bestelde direct een dure rode wijn voor zichzelf en zei tegen de serveerster: “Voor haar maakt het niet zoveel uit, toch?” Alsof ik er niet zat.

Ik zei: “Doe mij maar gewoon een witte huiswijn.”

“O, natuurlijk,” zei hij, en hij grinnikte. “Lekker veilig.”

Veilig. Dat woord bleef hangen.

In het eerste halfuur vertelde hij vooral over zichzelf. Over zijn appartement, zijn leaseauto, zijn ex die “te veel vroeg”, zijn werkdruk, zijn sportschema. Ik probeerde ertussen te komen. Ik vertelde iets grappigs over een leerling die had gezegd dat ik eruitzag als een boze Tinkerbell toen ik de klas streng toesprak.

Hij keek me even aan, knikte en zei: “Ja, kinderen zijn wel leuk als je ze daarna weer kunt inleveren.”

Dat was het. Geen vraag. Geen lach. Niets.

Later vroeg hij: “Wil jij eigenlijk kinderen?”

Ik zei: “Misschien, als het met de juiste persoon is.”

Hij haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet. Ligt eraan hoe mijn leven loopt. Ik ga daar niet echt ruimte voor maken, zeg maar.”

Het was niet eens alleen wat hij zei. Het was de toon. Alsof alles in zijn leven draaide om wat in zijn planning paste. Werk. Sport. Weekendjes weg. En ergens helemaal achteraan, als het uitkwam, misschien een vrouw.

Toen ik even naar het toilet was geweest, zag ik bij terugkomst dat hij alweer op zijn telefoon zat. Niet even snel kijken. Gewoon echt scrollen. Ik ging zitten en hij zei zonder op te kijken: “Sorry hoor, werkding.”

Maar een paar tellen later glimlachte hij naar zijn scherm. Geen werkglimlach. Je voelt dat gewoon.

Ik zei: “Zit je liever ergens anders?”

Toen keek hij eindelijk op. “Doe niet zo zwaar, Iris. We zitten toch gewoon gezellig?”

Dat kwam hard aan. Omdat ik helemaal niet zwaar deed. Ik wilde alleen voelen dat ik er was.

Aan het einde van de avond liep hij met me mee naar buiten. Het regende zacht. Zo’n miezer die in je haar gaat zitten. Ik dacht nog heel even: misschien was hij gewoon zenuwachtig. Misschien vul ik te veel in. Dat doe ik vaker, als ik iemand leuk wil vinden.

Bij mijn fiets zei hij: “Ik vind je wel lief, maar je bent denk ik iemand die veel bevestiging nodig heeft. Daar ben ik niet zo van.”

Ik voelde mijn wangen warm worden. “Veel bevestiging? Omdat ik verwacht dat iemand een gesprek met me voert?”

Hij zuchtte. “Kijk, dit bedoel ik dus al. Meteen zo’n emotioneel ding ervan maken.”

Ik heb hem aangekeken en ik schaamde me ineens. Niet om hem. Om mezelf. Omdat ik daar stond in mijn groene jurk, met mijn natgeregende haar, en nog steeds probeerde begrip op te brengen voor een man die me de hele avond had laten voelen dat ik te veel was, terwijl hij zelf amper iets gaf.

Die nacht stuurde hij nog: “Was gezellig, maar ik voel niet echt die makkelijke flow. Jij zoekt denk ik meer dan ik nu kan bieden.”

Ik heb lang naar dat bericht gekeken. Vroeger had ik misschien nog uitgelegd dat ik niet veel vroeg. Dat aandacht geen claim is. Dat interesse geen last is. Maar ineens was ik moe. Klaar met mezelf kleiner maken zodat een ander comfortabel blijft.

Dus ik stuurde terug: “Je hebt gelijk. Ik zoek inderdaad meer dan dit. Succes verder.”

Hij reageerde met een duimpje.

Een duimpje. Na twee weken praten, na een avond waarop ik mezelf in bochten wrong om de sfeer luchtig te houden, na dat hele toneel van charme vooraf. Een duimpje was misschien wel het eerlijkste wat hij me gegeven heeft.

De volgende ochtend stond ik gewoon weer op het schoolplein. Kinderen riepen mijn naam. Een moeder vroeg of ik de gymtas van haar zoon had gezien. Het leven ging door, heel saai bijna. Maar er zat ook iets rustgevends in. Alsof ik mezelf onderweg naar huis weer had opgepakt.

Ik ben niet boos meer. Nou ja, meestal niet. Soms wel een beetje, als ik eraan denk hoe snel vrouwen worden weggezet als veeleisend zodra ze basale warmte verwachten. Maar ik ben vooral opgelucht dat ik ben weggegaan voordat ik mezelf had wijsgemaakt dat kruimels ook liefde zijn.

Misschien ben ik alleen. Maar liever alleen dan naast iemand zitten en me alsnog ongezien voelen.

Vraag ik echt te veel als ik wil dat iemand opkijkt van zijn telefoon en oprecht vraagt hoe mijn dag was?
Misschien herkennen jullie dit ook — wanneer wist jij dat je niet langer genoegen mocht nemen met te weinig?