Na veertig jaar wilde mijn man het dorp achter zich laten, maar ik kon onze vrienden niet zomaar kwijt

Ik heb nog steeds de appgroep op stil staan.

Hij heet al jaren ‘De Vrijdagtafel’, met een foto van vier wijnglazen op het terras van ons vakantiehuisje in Frankrijk. Ik kijk er soms toch in. Dan zie ik een foto van Marian haar zelfgemaakte stoofvlees, of Koos die weer te dicht bij de barbecue staat, en voel ik eerst warmte. Meteen daarna krijg ik dat beklemmende gevoel in mijn borst.

We kennen Koos en Marian sinds 1984. Leo en ik waren toen net in ons eerste koophuis in Amersfoort gaan wonen, een tussenwoning met bruine tegels in de keuken en een tuin waar meer kattenpoep dan gras lag. Koos werkte bij dezelfde verzekeraar als Leo. Marian en ik raakten aan de praat bij een personeelsfeest waar niemand echt zin in had.

Het begon met een keer eten. Daarna zondagse fietstochtjes, oud en nieuw, kinderen die tegelijk naar zwemles gingen, vakanties met veel te veel bagage en discussies over de route. We hebben elkaars ouders begraven. We hebben gezien hoe onze kinderen uit huis gingen en later zelf met peuters kwamen aanzetten op verjaardagen.

De afgelopen jaren aten we bijna elke vrijdag samen. Niet altijd uitgebreid. Soms haalde iemand Chinees, soms werd het een pan pasta. Maar het was vast. Koos en Marian, Leo en ik. Als er eens iemand niet kon, werd dat al weken van tevoren gemeld alsof het om een afspraak in het ziekenhuis ging.

Leo is nooit degene geweest die graag midden in de belangstelling stond. Dat wist ik wel. Hij kon op een verjaardag na een uur al naar buiten verdwijnen om ‘even te kijken of de auto goed staat’. Maar hij hoorde erbij. Hij lachte om Koos zijn flauwe grappen, hij hielp Marian met haar computer, hij regelde tijdens vakanties altijd de tolwegen en de boodschappen.

Toen hij met pensioen ging, vorig voorjaar, dacht ik eerlijk gezegd dat hij zou opbloeien. Geen wekker meer, geen files naar Utrecht, geen gedoe met reorganisaties. De eerste weken leek dat ook zo. Hij maakte het schuurtje leeg, ging elke ochtend wandelen en kocht ineens een boek over vogels waarvan hij de helft van de namen verkeerd uitsprak.

Maar na een maand of drie werd hij stiller.

Bij de vrijdagavonden zat hij vaker met zijn telefoon in zijn hand. Niet omdat hij ergens mee bezig was, eerder om te laten merken dat hij niet wist wat hij moest zeggen. Op weg naar huis zei hij dan: ‘Het is altijd hetzelfde.’

Ik vond dat ondankbaar klinken. Misschien omdat ik bang was dat hij gelijk had. Natuurlijk hadden we vaste verhalen. Koos vertelde nog steeds hoe Leo ooit met de dakkoffer tegen een slagboom was gereden. Marian zei nog steeds dat zij nooit meer naar Italië wilde omdat haar badpak daar was weggewaaid. Maar dat was toch juist het fijne? Je hoefde niets uit te leggen.

In november vertelde Leo dat hij een huisje had gezien bij Diever, in Drenthe. Geen vakantiepark, maar een oud houten huisje aan een zandweg, met een stuk grond eromheen. Het stond al een tijd te koop. Er was geen glasvezel en de dichtstbijzijnde supermarkt was twaalf kilometer verderop.

‘Ik wil daar wonen,’ zei hij terwijl hij aardappels stond te schillen.

Ik dacht dat hij een grap maakte. Leo maakt zelden grappen, maar toch.

‘Voor een paar weken?’ vroeg ik.

‘Nee. Gewoon wonen. Geen afspraken meer waar ik tegenop zie. Minder mensen. Meer buiten.’

Ik herinner me vooral dat mes op het aanrecht. Hij had de aardappel niet eens afgeschilderd. Zo’n klein, dom detail, maar ik zie het nog voor me.

Mijn dochter woont in Hilversum met haar man en onze twee kleinkinderen. Mijn zoon zit in Leusden. Ik pas op donderdagmiddag op de jongste en ga soms spontaan even langs met een tas kleding die ik voor hem heb gekocht. Mijn huisarts, mijn kapper, de markt, de vrouwen van de leesclub: alles is hier. Ik zei dus meteen dat ik niet mee wilde.

Dat kwam er harder uit dan ik bedoelde.

Leo knikte alleen. ‘Dat dacht ik al.’

De weken daarna spraken we er nauwelijks over. Hij ging wel kijken en kwam terug met modder aan zijn schoenen en een andere blik in zijn ogen. Rustiger bijna. Alsof hij al een beetje weg was.

Koos en Marian merkten het snel. Natuurlijk merkten ze het. Op een vrijdagavond dronk Leo maar één glas wijn en zei hij dat hij waarschijnlijk een huis ging kopen in Drenthe. Marian liet haar vork zakken. Koos lachte eerst.

‘Jij? In een boshut? Na drie dagen wil je weer voetbal kijken en klagen over het bereik.’

Leo lachte niet mee.

Daarna werd het ongemakkelijk. Marian vroeg of ik dan ook ging. Ik zei dat we dat nog niet wisten, wat niet helemaal waar was. Koos zei dat je na veertig jaar huwelijk toch niet apart gaat wonen ‘omdat meneer stilte nodig heeft’.

Leo werd rood. Niet boos rood, meer dat ingehouden rood dat ik van hem ken. Hij zei: ‘Ik vraag Esther niet om haar leven op te geven. Ik vraag alleen of ik het mijne anders mag inrichten.’

Die avond gingen we vroeg weg. In de auto zei ik niets. Hij ook niet.

Het huisje is er gekomen. Leo heeft het in februari gekocht. Eerst zou hij er alleen doordeweeks zijn, zei hij. Later werd dat tien dagen, daarna bijna drie weken achter elkaar. Hij kwam terug voor de verjaardag van onze kleindochter, voor de tandarts en soms voor een vrijdagavond. Maar hij vertrok dan zaterdagochtend alweer, vaak voordat ik wakker was.

Ik mis hem. Dat zeg ik niet vaak hardop, omdat ik bang ben dat het klinkt alsof ik hem terug wil dwingen. Tegelijk mis ik ook hoe wij vroeger als stel naar binnen kwamen bij Koos en Marian. Nu vragen mensen: ‘Is Leo er niet?’ En ik moet steeds een versie van het antwoord kiezen die niet te zielig of te beschuldigend klinkt.

De ergste avond was vorige maand. Koos en Marian hadden nog twee mensen uit hun tennisclub gevraagd: Jeroen en Saskia. Aardige mensen, daar ligt het niet aan. Jeroen nam bloemen mee en Saskia had een salade gemaakt die niemand echt lekker vond maar waar iedereen beleefd van opschepte.

Halverwege de avond zei Marian dat ze misschien de vaste vrijdaggroep wat moesten ‘openbreken’. Ze bedoelde: als Leo toch bijna nooit kwam, konden Jeroen en Saskia vaker aansluiten. Dan bleef het gezellig en hoefde ik niet steeds alleen te zijn.

Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Leo is niet overleden, hè.’

Het werd stil. Ik schaamde me meteen. Marian keek gekwetst en zei dat ze juist aan mij dacht. Koos zei dat niemand Leo verving, maar dat een tafel met zes nu eenmaal levendiger is dan een tafel met drie.

Dat was waarschijnlijk waar. Maar ik voelde me ineens niet beschermd, maar ingedeeld. Alsof mijn huwelijk een ongemakkelijke wijziging in hun agenda was geworden.

Later, toen Jeroen en Saskia weg waren, zei Koos dat we duidelijkheid moesten geven. Niet op een nare manier, volgens hem. Hij wilde alleen weten waar iedereen aan toe was. Bleef ik hier en bleef ik dus onderdeel van de vrijdagtafel zoals die voortaan zou zijn? Of wilde ik uiteindelijk toch naar Leo, en moesten zij er rekening mee houden dat het langzaam zou uitdoven?

Marian zei niets. Ze keek alleen naar haar lege glas.

Ik heb die nacht slecht geslapen. Niet omdat ik vond dat Koos ongelijk had. Misschien is dat juist het pijnlijke. Zij mogen ook verder met hun leven. Ze hoeven niet elke vrijdag een lege stoel te respecteren omdat Leo rust zoekt tussen de dennenbomen.

Maar ik wil niet kiezen alsof het twee abonnementen zijn waarvan er één opgezegd moet worden.

Afgelopen zondag ben ik naar Leo gereden. Het regende de hele weg. Bij het huisje rook het naar nat hout en er lagen dennennaalden op de mat. Hij was bezig met een vogelhuisje dat scheef aan een paal hing.

Ik vertelde hem over Jeroen en Saskia. Over wat Koos had gezegd. Leo luisterde en veegde zijn handen af aan zijn broek.

‘Misschien moet je gewoon gaan,’ zei hij. ‘Niet voor hen. Voor jezelf. Je hoeft niet thuis te wachten tot ik weer terugkom.’

Ik werd boos, veel bozer dan nodig was. Ik zei dat hij het wel makkelijk vond om iedereen achter te laten en vervolgens te doen alsof ik vrij was. Hij zei dat hij me niet achterliet. Ik zei dat het soms precies zo voelde.

Daarna hebben we koffie gedronken zonder veel te praten. Toen ik wegging, vroeg hij of ik volgende week weer kwam. Niet voor een weekend, gewoon voor een nachtje.

Ik heb gezegd dat ik het niet wist.

Vrijdag is er weer eten bij Koos en Marian. Jeroen en Saskia komen ook. Leo heeft me vanmorgen een foto gestuurd van een vos in zijn tuin. Ik heb er een hartje onder gezet, daarna mijn telefoon omgedraaid en de aardappels geschild voor vanavond.