Na veertig jaar vriendschap bleken wij ineens de ‘feestcommissie’ te zijn
De eerste keer dat iemand het zei, lachte ik nog mee.
“Nou, jullie hebben straks tijd zat, hè? Dan kunnen jullie de zomerbarbecue wel weer trekken.”
Het was Ria, met een glas witte wijn in haar hand, aan onze vaste tafel achter in café De Molen. We komen daar al zo lang dat de nieuwe eigenaar ons nog steeds ‘de vrijdagclub’ noemt, terwijl de meesten van ons inmiddels alleen nog maar een borrelplank delen en om half elf naar huis willen.
Mijn man Kees was toen net twee maanden met pensioen. Hij had veertig jaar bij de gemeente gewerkt, eerst buiten bij groenvoorziening, later als opzichter. Hij was doodsbang geweest voor het zwarte gat. Ik eerlijk gezegd ook een beetje, al zei ik dat niet. Maar binnen drie weken had hij een ochtend per week meegeholpen bij een lokale stichting die fietsen opknapt voor mensen met een kleine beurs. Daarna werd het twee ochtenden. Nu is hij er soms ook op woensdag, omdat er “net een levering binnenkomt” of omdat iemand van het leerwerktraject even extra aandacht nodig heeft.
Ik zie hem thuiskomen met zwarte strepen op zijn handen en een gezicht alsof hij twintig jaar jonger is. Dat gun ik hem zó.
Alleen: blijkbaar zag iedereen om ons heen vooral een leeg agenda-veld.
Ik werk zelf nog drie dagen per week in een huisartsenpraktijk in Amersfoort. Niet fulltime, nee. Maar die andere dagen zijn niet leeg. Mijn moeder woont sinds vorig jaar in een aanleunwoning en belt me vaak voor dingen die ze zelf best nog kan, maar spannend vindt. Ik doe de administratie, ik ga mee naar de mondhygiënist, ik probeer ook nog af en toe met mijn zus af te spreken. En ik had me voorgenomen weer te gaan schilderen. Niet goed schilderen, gewoon wat aanklooien met verf zonder dat iemand iets van me nodig heeft.
Dat voornemen bleef vooral in de kast staan.
Want na de barbecue kwam de vraag of wij het weekendje weg wilden uitzoeken. Daarna wilde Hans weten of Kees de WhatsApp-groep wat beter kon bijhouden, omdat “jij toch handiger bent met dat soort dingen”. Kees is helemaal niet handiger met WhatsApp. Hij leest berichten meestal drie dagen later en stuurt dan per ongeluk een duimpje op iets over een overlijden of een knieoperatie.
Toch zei hij steeds: “Ja hoor, komt goed.”
En ik zei ook vaak ja, omdat ik geen gedoe wilde. We kennen deze mensen al sinds onze kinderen op de basisschool zaten. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, bij elkaar op de bank gezeten tijdens echtscheidingen, sterfgevallen, ontslagen. Toen Kees een bypassoperatie kreeg, stonden zij met pannen macaroni voor de deur. Dat vergeet je niet.
Maar de laatste tijd voelde het alsof die geschiedenis als een soort rekening op tafel lag.
Het echte gedoe begon met het veertigjarig bestaan van onze vriendengroep. Wie dat ooit zo benoemd heeft weet ik niet, maar ineens was het een ding. Een jubileum. Er moest een zaaltje komen, muziek uit de jaren tachtig, foto’s op een scherm, misschien een buffet. Partners van de kinderen mochten ook komen, vonden sommigen. Kleinkinderen misschien aan het begin, “gezellig voor de foto”.
Ik kreeg er al hoofdpijn van voordat er iets geregeld was.
Op een vrijdagavond had Marjan een lijstje meegenomen. Ze legde het naast haar bitterballen op tafel en zei: “Ik heb alvast wat ideeën verzameld. Maar wij dachten dus dat Kees en Els dit het beste kunnen coördineren.”
Wij. Dat woord viel me pas later op.
Kees keek naar mij. Niet lang. Meer zo’n blik van: zeg jij maar wat.
Op het lijstje stonden geen kleine dingen. Locatie regelen. Budget bijhouden. Uitnodiging maken. Foto’s verzamelen. Catering. Muziek. Contact met iedereen. Opbouwen. Opruimen. En natuurlijk voorschieten, want “dat verrekenen we later wel”.
Ik vroeg: “Waarom wij precies?”
Dat klonk scherper dan ik bedoeld had. Het werd even stil, behalve het geluid van de frituur uit de keuken.
“Nou ja,” zei Hans, “jullie zitten nu in een andere fase. Jullie zijn flexibeler.”
“Ik werk nog gewoon,” zei ik.
“Drie dagen,” zei Ria, en ze lachte erbij alsof het een geruststelling was.
Kees zei toen: “Els heeft wel een punt. En ik heb die stichting ook.”
Ik weet nog dat ik opgelucht was. Heel even maar.
Marjan haalde haar schouders op. “Die fietsen kunnen toch een weekje zonder jou?”
Kees werd rood. Hij zei niets. Dat vond ik misschien nog het ergste.
Thuis in de auto begon hij pas.
“Ze bedoelen het niet verkeerd.”
“Nee,” zei ik. “Ze bedoelen vooral dat wij het moeten doen.”
“Het is maar één feest.”
“Het is nooit één feest. Daarna zijn wij ook degene die de foto’s moeten nabestellen en geld moeten najagen en bedanken moeten sturen.”
Hij zuchtte. Kees zucht niet vaak hard, maar dit was zo’n zucht waarmee hij eigenlijk wilde zeggen dat ik het groter maakte dan nodig was.
“Na alles wat we met elkaar hebben meegemaakt, kun je toch niet bij voorbaat nee zeggen?”
Ik keek uit het raam. We reden langs het station, waar mensen met natte jassen onder de overkapping stonden. Ik dacht: je kunt blijkbaar veertig jaar bij mensen horen en je toch ineens een lastpak voelen omdat je geen tijd cadeau wilt geven.
De week erna stuurde Marjan in de groepsapp een bericht: ‘Els en Kees, kunnen jullie uiterlijk zondag laten weten welke locaties mogelijk zijn? Dan houden we de vaart erin 😊’
Alsof we al ja hadden gezegd.
Ik heb dat bericht drie keer gelezen. Toen heb ik getypt dat we de volledige organisatie niet op ons konden nemen, maar graag wilden meedenken over een datum en eventueel op de avond zelf wilden helpen met ontvangst of opruimen.
Ik heb lang gekeken naar het woord ‘konden’. Ik wilde eigenlijk schrijven: niet wilden. Maar dat durfde ik niet.
De reacties kwamen sneller dan ik verwachtte.
Hans: ‘Jammer. We dachten dat jullie dit leuk zouden vinden.’
Ria: ‘Beetje teleurstellend eerlijk gezegd, zeker omdat iedereen altijd voor elkaar klaarstaat.’
En van Marjan helemaal niets. Twee dagen lang niets, terwijl zij normaal al reageert als iemand een foto van een verdwaalde sok stuurt.
Kees was kwaad op mij, al zei hij dat woord niet. Hij liep stiller door het huis. Hij ging extra vroeg naar de stichting. Op donderdagavond zei hij uiteindelijk dat hij zich schaamde.
“Waarvoor?” vroeg ik.
“Omdat het nu lijkt alsof wij ons te goed voelen.”
Dat raakte me. Ik zei dat ik me helemaal niet te goed voelde. Eerder andersom. Alsof ik alleen nog aardig mocht zijn wanneer ik beschikbaar was.
Hij keek naar zijn handen, die nog vol vetvlekken zaten ondanks het wassen. “Ze hebben ook gelijk dat we elkaar niet moeten laten vallen.”
“Een feest organiseren is iemand niet laten vallen?”
Daar had hij geen antwoord op.
Afgelopen vrijdag gingen we toch naar De Molen. Ik wilde afzeggen, maar Kees zei dat dat het alleen erger zou maken. Misschien had hij gelijk. Misschien ook niet.
De sfeer was beleefd, bijna professioneel. Iedereen had het over de wijnkaart, over de regen, over een nieuwe heup van een kennis die niemand van ons echt kent. Uiteindelijk zei Marjan dat zij en Hans nu een zaal hadden gereserveerd. “We redden ons wel,” zei ze. Niet boos. Dat maakte het juist venijnig.
Kees knikte en zei: “Fijn dat jullie dat hebben opgepakt.”
Ik zag hem daarna naar zijn glas kijken. Ik weet niet of hij mij steunde of gewoon geen nieuwe discussie wilde. Misschien allebei.
Thuis legde hij zijn jas over de stoel in plaats van aan de kapstok. Dat doet hij alleen als hij moe is of ergens mee zit.
Zondag gaat hij weer fietsen repareren. Ik heb mijn schilderdoos van zolder gehaald en op de keukentafel gezet. Er zit nog geen verf op het doek. De groepsapp is stil gebleven, op een betaalverzoek voor de aanbetaling van de zaal na.
Ik heb het nog niet betaald.