Toen mijn plek aan tafel ineens niet meer vanzelfsprekend was
Ik merkte het aan de schaal met ovenschotel die Anja op tafel zette. Die was veel te groot voor twee personen, maar ze had hem toch gemaakt. Met de paprika die Ria altijd uit de diepvries haalde omdat Henk verse paprika ‘waterig’ vond. Dat soort dingen wist Anja gewoon.
Het was vrijdagavond en voor het eerst in ik denk vijfentwintig jaar zaten we niet bij Henk en Ria, of zij bij ons. Anja zette de schaal neer, keek ernaar en zei: “Nou ja. Dan eten we hier zaterdag ook nog van.”
Dat was alles. Geen verwijt, niet eens een zucht. Maar ik wist precies wat ze bedoelde.
Ik ben 63, sinds anderhalf jaar met pensioen. Ik heb tot mijn tweeënzestigste op de afdeling planning bij een installatiebedrijf gewerkt. Geen droombaan, maar ik was er goed in en de collega’s waren prima. Daarna dacht ik: eindelijk tijd. Lekker fietsen, wat klussen bij onze dochter in Amersfoort, misschien weer pianospelen. In de praktijk bleek ik vooral veel te vaak op Nu.nl te kijken en dingen in de schuur te verplaatsen die helemaal niet verplaatst hoefden te worden.
Henk en Ria waren in die tijd onze houvast. We kennen elkaar sinds de kinderen op de basisschool zaten. Eerst stonden we samen op het voetbalveld in de regen, later gingen we met z’n vieren kamperen in Frankrijk en de laatste jaren huurden we ieder voorjaar een huisje in Zeeland. Vrijdag aten we om en om bij elkaar. Niet altijd uitgebreid. Soms gewoon nasi uit een pak met een glas wijn erbij. Maar het was vast.
Anja en ik hebben ook wel eens ruzie gehad, natuurlijk. Over geld, over mijn moeder toen ze nog leefde, over de verbouwing van de badkamer die drie maanden langer duurde dan de aannemer beloofd had. Maar op vrijdagavond gingen we naar Henk en Ria, en dan werd alles kleiner. Of in elk geval uitgesteld tot maandag.
In november zag ik in de krant een oproep van het Spoorwegmuseum in Utrecht. Ze zochten nieuwe rondleiders, met een opleidingstraject. Niet zomaar kaartjes scheuren, maar bezoekersgroepen begeleiden en verhalen vertellen over de collectie. Ik ben altijd gek geweest op treinen. Als kind ging ik met mijn vader naar station Zwolle om treinen te kijken, puur omdat we daar allebei rustig van werden. Mijn vader was niet iemand die makkelijk praatte. Op een perron lukte dat beter.
Ik knipte die oproep uit. Niet letterlijk, want ik lees de krant op mijn tablet, maar ik stuurde hem naar mezelf door. Twee weken later vulde ik toch het formulier in.
Toen ik werd uitgenodigd voor een gesprek, vertelde ik het aan Anja. Ze zei: “Leuk toch?” Maar ze zei het terwijl ze de vaatwasser inruimde. Ik hoorde aan haar stem dat ze al aan iets anders dacht.
De opleiding bleek pittiger dan ik had verwacht. Een avond per week naar Utrecht, opdrachten voorbereiden, een paar zaterdagen meelopen. Als je eenmaal zelfstandig draaide, werd er verwacht dat je minstens twee diensten per maand deed, meestal in het weekend. Ik vond dat juist prettig. Ik moest weer ergens op tijd zijn. Ik leerde mensen kennen die niet wisten wie onze kinderen waren of dat ik vroeger een slechte knie had. Daar was ik gewoon Peter, degene die te enthousiast vertelde over de oude locomotief uit 1938.
Henk zei meteen dat het geweldig was.
“Eindelijk iets waar je niet eerst een nieuw stopcontact voor hoeft aan te leggen,” zei hij lachend.
Ria vond het ook mooi. Zij had zelf jaren als onderwijsassistent gewerkt en zei dat ik goed met mensen kon omgaan. Anja glimlachte daarbij, maar ik zag dat ze haar wijnglas met twee handen vasthield.
De eerste vrijdag die ik miste, viel samen met een avonddienst. Ik had vooraf gezegd dat ik het jammer vond. Henk stuurde een foto van de tafel: vier borden, alleen mijn stoel leeg. Met erbij: ‘We bewaren geen toetje voor je, hè.’ Ik wist dat het een grap was, maar ik keek er in de trein naar Utrecht langer naar dan nodig.
Daarna kwamen de kleine dingen. De planning voor Zeeland moest anders omdat ik in mei een inwerkweekend had. Anja zei dat we dan beter zonder mij konden gaan, wat ze meteen weer terugnam. Ria begon in de groepsapp vaker te vragen wie wanneer kon, in plaats van er automatisch vanuit te gaan dat vrijdag voor ons vrij was. Henk stelde voor om de vaste avond te verplaatsen naar woensdag.
Anja vond dat geen voorstel. Anja vond dat bewijs.
“Zie je wel,” zei ze op een dinsdag toen ik mijn map met aantekeningen op tafel had laten liggen. “Alles moet zich nu aanpassen aan jouw museum.”
Ik zei dat het niet mijn museum was, en daar werd ze nog bozer van.
“Dat weet ik ook wel. Het gaat erom dat jij ineens weg bent. En als je hier bent, zit je met je hoofd in Utrecht.”
Dat was niet helemaal eerlijk. Maar ook niet helemaal onwaar. Ik had die weken voortdurend feiten in mijn hoofd: spoorbreedtes, dienstregelingen, de geschiedenis van de eerste elektrische trein. Ik vertelde er te veel over. Als Anja iets zei over onze kleinzoon of de buurvrouw die weer last had van de schutting, luisterde ik soms pas halverwege.
De echte ruzie kwam niet op een groot moment, maar op een gewone zondagmiddag. We zouden bij Henk en Ria koffie drinken. Ik had die ochtend een bericht gekregen of ik een extra dienst kon overnemen. Een buitenlandse groep, Engels, iemand was ziek. Ik zei ja voordat ik het goed met Anja had afgestemd.
Ze stond in de hal met haar jas al aan toen ik het vertelde.
Ze deed haar jas weer uit en hing hem heel rustig terug.
“Dus ik ga alleen,” zei ze.
“Je hoeft niet alleen te gaan. Ik kan ook afzeggen.”
“Dat wil je niet.”
Ik zei niets. Dat was blijkbaar antwoord genoeg.
Ze ging uiteindelijk niet. Henk belde later of alles goed was. Ik zei dat Anja hoofdpijn had. Ook laf, achteraf. Ik wilde niet dat zij de boze partner werd en ik de man met een mooie nieuwe bestemming. Maar door te liegen maakte ik het juist zo.
Een week later zaten we wel met z’n vieren aan tafel. Er hing iets stroefs dat er vroeger nooit was. Henk vroeg hoe mijn dienst geweest was. Ria vroeg aan Anja of ze nog naar haar zus in Drenthe ging. Iedereen deed normaal, zo nadrukkelijk dat het bijna pijnlijk werd.
Toen zei Anja ineens: “Peter heeft nu een ander leven erbij. Daar moeten wij blijkbaar maar omheen plannen.”
Henk keek naar zijn bord. Ria zei voorzichtig dat het toch ook goed was dat ik iets had gevonden waar ik energie van kreeg.
“Dat zeg ik ook niet dat het niet goed is,” zei Anja. “Ik zeg alleen dat niemand doet alsof er iets verandert.”
Ik werd boos. Vooral omdat ik me betrapt voelde. Ik zei dat ik na veertig jaar werken toch niet hoefde te vragen of ik een keer iets voor mezelf mocht doen. Dat klonk hard, en ik zag haar gezicht veranderen. Niet huilen, niet dramatisch. Gewoon dicht.
Henk bracht later de schalen naar de keuken en bleef daar nogal lang staan. Ria appte Anja die avond nog. Wat ze precies hebben besproken, weet ik niet. Anja laat haar telefoon niet geheimzinnig liggen, maar ik wilde ook niet gaan zoeken.
We hebben inmiddels afgesproken dat ik maximaal twee weekenden per maand een dienst doe. Vrijdagavond probeer ik vrij te houden, behalve als ik echt al ben ingepland. Dat klinkt als een nette oplossing, maar zo voelt het niet altijd. Soms denk ik dat ik mezelf kleiner maak uit schuldgevoel. Soms denk ik dat ik maandenlang blind ben geweest voor hoe afhankelijk Anja en ik van die vaste kring waren geworden.
Vorige vrijdag aten Henk en Ria weer bij ons. Anja had alsnog ovenschotel gemaakt, alleen een kleinere schaal. Henk vertelde een veel te lang verhaal over zijn nieuwe gehoorapparaat. Ria lachte op precies de verkeerde momenten. Anja vroeg hoe mijn rondleiding was geweest, en ik vertelde bewust niet alles.
Later, toen ze weg waren, zei Anja bij de voordeur: “Volgende maand ga je toch dat hele weekend naar Utrecht?”
Ik zei ja.
Ze knikte, keek naar de lege glazen op tafel en zei: “Dan vraag ik Ria wel of ze mee wil naar de sauna.”
Ik wist niet of ik daar blij mee moest zijn of verdrietig. Misschien allebei. De volgende ochtend heb ik mijn dienstrooster opnieuw geopend, met een kop koffie erbij, en ik heb nog niets veranderd.