Ik zette de familie-app op stil, maar mijn schuldgevoel bleef gewoon doorkletsen

Sinds drie weken staat de WhatsApp-groep ‘Pap praktisch’ bij mij op stil. Niet verlaten, niet gearchiveerd. Alleen op stil, acht uur per keer, omdat ik het anders blijkbaar niet aandurf.

Er zitten vier mensen in: mijn vader, mijn zus Marije, mijn broer Koen en ik. Ooit heette die groep ‘Familie Van Dijk ❤️’, met foto’s van verjaardagen, slechte grappen van mijn vader en ieder jaar dezelfde discussie over wie met kerst het voorgerecht deed. Nu gaat het vooral over steunkousen, boodschappen, ziekenhuisbrieven en wie er zaterdag naar Apeldoorn kan rijden.

Mijn vader is 71 en woont alleen sinds mijn moeder zes jaar geleden overleed. Hij is niet hulpeloos. Dat wil hij ook graag benadrukken. Hij heeft na een val zijn heup gebroken, is geopereerd en loopt nog met een rollator door zijn rijtjeshuis. Hij kan thee zetten en veel te sterke koffie maken. Maar douchen is lastig, autorijden mag voorlopig niet en als de thuiszorg om zeven uur ’s ochtends is geweest, kan de rest van de dag soms heel lang duren.

In het begin vond ik het logisch dat we hielpen. Ik werk vier dagen per week als planner bij een installatiebedrijf in Amersfoort en woon met mijn vriendin Noor in een huurappartement in Utrecht. Apeldoorn is, als alles meezit, drie kwartier rijden. Mijn broer woont in Groningen. Mijn zus in Hoofddorp, met twee kinderen op de basisschool en een man die onregelmatige diensten draait. Dus ja, ik zat het dichtstbij. Dat werd al snel hetzelfde als: ik kon het beste.

De eerste weken reed ik twee of drie keer per week naar mijn vader. Boodschappen, was ophangen, meegaan naar de fysio, zijn DigiD-problemen oplossen omdat hij ineens niet meer in MijnZiekenhuis kon. Ik maakte een gedeelde Google-agenda. Niet omdat iemand dat vroeg, maar omdat ik ervan overtuigd was dat het overzicht zou geven.

Achteraf denk ik dat ik daarmee ook het idee heb gewekt dat ik het overzicht wílde houden.

Marije stuurde vaak: ‘Sorry, deze week echt chaos hier.’ Koen appte dat hij best wilde komen, maar dat een dag heen en weer vanuit Groningen weinig efficiënt was. Dat klonk zakelijk, maar hij bedoelde volgens mij vooral dat hij het moeilijk vond om onze vader zo te zien. Hij was altijd degene die wegkeek als mijn moeder in het ziekenhuis lag.

Ik zei steeds: ‘Geen probleem, ik regel het wel.’

Dat was niet helemaal waar. Het was wél makkelijker dan zeggen dat ik eigenlijk op donderdagavond soms alleen maar op de bank wilde zitten, met een afhaalmaaltijd en een dom programma. Of dat Noor en ik al twee keer een etentje hadden afgezegd omdat mijn vader zich duizelig voelde. Of dat ik elke keer mijn telefoon pakte als er een bericht binnenkwam, ook midden in een vergadering.

Noor zei er voorzichtig iets van. Niet verwijtend. Ze vroeg gewoon: ‘Wanneer heb jij voor het laatst een hele dag niet met je vader of die app bezig geweest?’

Ik maakte er een grap van. Ik zei dat het tijdelijk was.

Toen kwam er op een woensdagavond een bericht van mijn vader: ‘Lamp gang kapot. Niet dringend, maar wel donker.’

Ik zat op dat moment bij Noor haar ouders te eten. We vierden haar vaders verjaardag, klein gezelschap, bitterballen uit de oven. Ik keek onder tafel op mijn scherm en voelde meteen die bekende druk in mijn borst. Niet omdat een kapotte lamp een ramp was, maar omdat ik wist dat niemand anders zou reageren als ik het niet deed.

Ik stuurde: ‘Ik kom morgenavond.’

Koen reageerde pas een uur later met een duimpje. Marije schreef: ‘Fijn, Daan.’

Dat ene woordje, fijn, maakte me disproportioneel boos. Alsof ik de bezorgdienst was die bevestigd had dat het pakket morgen tussen zes en negen kwam.

De volgende avond stond ik bij mijn vader op een keukentrapje een lamp in te draaien. Hij zat aan tafel en vertelde uitgebreid dat de buurvrouw had gezegd dat hij er ‘goed uitzag voor iemand met zo’n operatie’. Ik knikte, maar ik was moe en kortaf. Hij vroeg of er iets was.

‘Nee hoor.’

Dat zei ik ook weer.

Op de terugweg belde Noor. Ze was al thuis. Ik hoorde aan haar stem dat ze haar best deed niet geïrriteerd te klinken.

‘Je zou vanavond pasta maken.’

‘Sorry. Die lamp duurde langer.’

‘Daan, het ging niet om die pasta.’

Ik zei dat ik daar nu geen energie voor had. Dat was gemeen, want zij vroeg al maanden niet veel van me. Ze wilde alleen niet dat ik langzaam verdween in iets waar ik zelf nooit duidelijke afspraken over had gemaakt.

Die zondag heb ik in de app een voorstel gestuurd. Ik had er veel te lang aan zitten schaven.

‘Ik merk dat ik de zorg voor pap niet alleen kan blijven trekken. Kunnen we een vast rooster maken? Ik kan op dinsdagavond en om de week zaterdag. Voor de rest moeten we iets verdelen of kijken wat via de thuiszorg/maaltijdservice kan.’

Ik kreeg geen reactie. Urenlang niet.

Mijn vader las het wel. Dat zag ik aan de blauwe vinkjes. Uiteindelijk stuurde Marije: ‘Begrijp ik, maar ik kan doordeweeks echt bijna nooit.’

Koen: ‘Ik kan eens per maand een weekend doen, maar niet structureel vaker.’

Toen mijn vader: ‘Jullie moeten niet ruziën om mij. Ik red me wel.’

Dat was precies het soort bericht waardoor ik altijd weer alles naar me toe trok. Ik wist dat hij zich gekwetst voelde. Tegelijk wist ik dat ‘ik red me wel’ bij hem ook betekende dat hij dan twee dagen crackers at omdat hij geen zin had om iemand lastig te vallen.

Ik typte eerst dat niemand ruzie maakte. Daarna verwijderde ik het. Toen schreef ik dat ik niet meer elk probleem direct kon oplossen. Ook dat verwijderde ik.

Uiteindelijk stuurde ik alleen: ‘Pap, dit gaat niet over lastig zijn. Ik moet gewoon duidelijker zijn over wat ik aankan.’

Daarna belde Marije me. Ze huilde vrijwel meteen. Ze zei dat ze zich een slechte dochter voelde en dat mijn bericht klonk alsof ik haar een rekening stuurde. Ik werd boos en zei dat ik niet háár schuldgevoel kon dragen. Dat was waar, maar de manier waarop ik het zei was hard. Zij had ook jaren van gedoe met haar kinderen, haar werk en een man die na een burn-out nog steeds niet helemaal op niveau functioneerde. Ik wist dat allemaal.

Toch dacht ik: waarom moet ik al die omstandigheden begrijpen, terwijl niemand vraagt hoe het met mij gaat?

Er is inmiddels een regeling. Koen komt één weekend per maand. Marije bestelt eens per week boodschappen en gaat op vrijdag langs als het lukt. Dat ‘als het lukt’ vind ik nog steeds irritant, al zeg ik het niet meer. Mijn vader heeft extra thuiszorg aangevraagd via de wijkverpleegkundige, en er komt iemand van de maaltijdservice langs om uit te leggen hoe dat werkt.

Maar de sfeer is anders. In de familieapp wordt overdreven vriendelijk gedaan. ‘Dankjewel topper!’ en ‘Wat lief van je.’ Alsof we collega’s zijn die een dienst overnemen. Mijn vader belt mij minder vaak rechtstreeks. Misschien omdat hij me ruimte wil geven. Misschien omdat hij bang is dat ik zucht als zijn lamp weer kapotgaat.

Vorige zaterdag ging ik niet naar Apeldoorn. Ik had het niet op het rooster gezet. Noor en ik fietsten naar de markt, haalden bloemen en zaten daarna met koffie aan de gracht. Ik voelde me de hele ochtend licht en schuldig tegelijk.

Om half drie keek ik toch op mijn telefoon.

Er stond één bericht van mijn vader in de app: ‘Alles goed hier. Veel plezier vandaag.’

Ik heb pas een uur later geantwoord. Niet omdat ik hem wilde straffen, maar omdat ik probeerde te leren dat ik niet altijd meteen beschikbaar hoef te zijn.

Daar ben ik nog steeds niet bijzonder goed in.