Mijn man bouwde zijn pensioenparadijs terwijl ik in stilte appartementen bezichtigde
De eerste keer dat ik serieus naar een appartement keek, zat ik in mijn auto op een parkeerplaats bij het winkelcentrum in Arnhem. Ik had net een bezichtiging gehad van iets op de vierde verdieping, met een lift, een balkonnetje en uitzicht op een rij platanen. Niet bijzonder. De keuken was klein en er lag zo’n grijzige pvc-vloer die iedereen tegenwoordig blijkbaar mooi vindt.
Maar er zat een boekhandel op drie minuten lopen. Een bushalte voor de deur. Het Musis, waar ik vroeger met vriendinnen heen ging, was een kwartier fietsen.
Ik bleef twintig minuten in de auto zitten voordat ik naar huis reed.
Thuis stond Koos op zijn knieën achter in de tuin, met een rolmaat in zijn hand. Hij had feloranje paaltjes in het gras gezet. Overal lag touw gespannen.
‘Kijk,’ zei hij, nog voordat ik mijn jas uit had. ‘Hier komen de verhoogde bakken. En daarachter de kas. Als ik die hoek vrijmaak, past er misschien ook nog een klein schuurtje voor gereedschap.’
Ik zei: ‘Mooi.’
Dat was laf. Ik weet het. Maar ik wist op dat moment niet hoe ik moest zeggen dat ik net had gekeken naar een plek waar je geen heg van veertig meter hoeft te snoeien en waar je geen regenpijp hoort tikken als je wakker ligt.
Koos en ik wonen al 31 jaar in dit huis, net buiten een dorp in de buurt van Zutphen. Toen we het kochten, waren we eind dertig. We hadden weinig geld, twee kleine kinderen en een optimisme waar ik nu soms bijna om moet lachen. Het huis was oud, de kozijnen moesten gedaan worden, de schuur lekte en de tuin was eigenlijk veel te groot.
Maar er was ruimte. Dat was toen het belangrijkste woord.
Ruimte voor een trampoline. Ruimte voor een zandbak. Ruimte voor een hond, zeiden we, al kwam die hond er uiteindelijk pas toen de kinderen bijna het huis uit waren. Ruimte voor etentjes in de zomer en voor kerstbomen die veel te groot waren voor de woonkamer.
Koos werkte bij een technische groothandel en draaide regelmatig lange weken. Ik werkte eerst in een kledingzaak en later op de administratie van een fysiopraktijk. Alles ging op aan hypotheek, kinderen, sportclubs, rijlessen, studiekosten. We deden het gewoon. Zoals zoveel mensen van onze leeftijd, denk ik.
Alleen: dat huis was nooit af.
Als de badkamer eindelijk klaar was, moest het dak. Als het dak klaar was, begon de schutting te verzakken. Koos is handig, echt. Hij kan vrijwel alles maken. Maar daardoor werd ook bijna alles zijn project. En als hij geen tijd had, wachtte het. Soms jaren.
Ik heb hem daar nooit echt op afgerekend. Hij werkte hard. Ik ook. En we hadden het goed samen, meestal. Niet van dat overdreven romantische, maar vertrouwd. Hij zette elke ochtend mijn fiets binnen als het zou regenen. Ik legde zijn thermoshirt klaar als hij vroeg weg moest. Dat soort liefde.
Toen hij vorig najaar met pensioen ging, dacht ik eerlijk gezegd dat we meer samen zouden gaan doen. Niet meteen wereldreizen, daar zijn we allebei niet zo van. Maar eens spontaan naar een museum. Een paar dagen naar Maastricht. Op donderdag koffie drinken in de stad, zonder dat ik hoefde te vragen of hij wel tijd had.
De eerste maandag na zijn afscheid stond hij om half acht in de tuin.
Ik zag hem vanuit het slaapkamerraam met een notitieblok onder zijn arm. Hij liep rond alsof hij een aannemer was die een bouwterrein inspecteerde. Een week later had hij tekeningen gemaakt. Niet alleen voor groentebakken, maar voor een geïsoleerde werkplaats achter in de tuin.
‘Dan kan ik daar ook in de winter klussen,’ zei hij. ‘Met een houtkachel misschien. Niet groot, hoor.’
Ik vroeg wat ‘niet groot’ betekende.
‘Een meter of zes bij vier.’
Ik dacht dat hij een grapje maakte.
Dat deed hij niet.
Onze dochter, Sanne, woont met haar vriend en twee kinderen in een huurhuis in Nijmegen. Ze willen al jaren iets kopen, maar het schiet niet op. Alles is te duur of te klein. Zij werkt drie dagen in de kinderopvang, haar vriend in de ICT. Ze redden zich prima, maar een huis met een tuin in onze buurt zit er voorlopig niet in.
Een paar maanden geleden zei ze tijdens het eten: ‘Als jullie nou naar de stad zouden gaan, dan zouden wij misschien ook deze kant op kunnen kijken. Dan zitten jullie dichterbij de kleinkinderen als ze groter worden.’
Ze zei het voorzichtig, maar ik voelde meteen hoe Koos verstijfde.
‘Dus wij moeten weg zodat jullie hier kunnen wonen?’ vroeg hij.
‘Nee, pap, zo bedoel ik het niet.’
Maar natuurlijk hoorde hij het wel zo.
Ik snap hem ergens ook. Dit is zijn huis. Hij heeft jarenlang gezegd: als ik met pensioen ben, dan ga ik eindelijk dingen maken die ik zelf mooi vind. Hij heeft zijn hele werkende leven in loodsen, kantoren en auto’s gezeten. Nu wil hij buiten zijn, met zijn handen werken, tomaten kweken, een kast voor de kleinkinderen timmeren. Daar is niets belachelijks aan.
Alleen lijkt het alsof ik in zijn toekomstplaatje de rol heb van iemand die koffie komt brengen naar de werkplaats.
Vorige maand, op een dinsdag, kwam er een grote vrachtwagen voorrijden. Ik was thuis omdat ik die middag vrij had genomen voor een afspraak bij de mondhygiënist. Op de oprit stonden pallets met hout, betonbanden, grond en iets wat blijkbaar een professioneel druppelirrigatiesysteem heette.
Koos kwam stralend de keuken in.
‘Het is er.’
Ik vroeg hoeveel het gekost had.
Hij keek niet eens meteen op. ‘Dat valt mee, vergeleken met wat je ervoor krijgt.’
‘Koos. Hoeveel?’
Toen noemde hij een bedrag waar ik letterlijk even misselijk van werd. Bijna twaalfduizend euro. Hij had een deel van zijn afscheidspremie gebruikt en een deel van onze spaarrekening.
Ik weet dat het ons geld is. We hebben geen schulden, onze hypotheek is bijna af. We kunnen het betalen, op papier. Maar we hadden nooit afgesproken dat hij zomaar zoveel zou uitgeven.
Hij werd boos toen ik dat zei. Niet schreeuwen, dat doet hij zelden. Maar zijn gezicht ging dicht.
‘Jij doet alsof ik iets fout heb gedaan. Ik heb veertig jaar gewerkt, Marije.’
‘Ik ook.’
Dat floepte eruit. Harder dan ik wilde.
Hij keek me aan alsof ik hem beledigd had.
‘Ik zeg toch niet dat jij niet gewerkt hebt?’
‘Nee, maar je gedraagt je wel alsof dit huis alleen jouw beloning is.’
Daarna zei hij een tijd niets. Buiten piepte de vrachtwagen achteruit. Een absurd geluid bij zo’n gesprek.
Die avond heb ik hem verteld dat ik appartementen had bekeken. Niet één. Drie, inmiddels.
Hij werd heel stil. Ik dacht even dat hij zou vragen welke, of waarom ik dat niet eerder gezegd had. In plaats daarvan zei hij: ‘Dus terwijl ik hier bezig ben, ben jij al aan het regelen dat we weggaan.’
‘Ik regel niets. Ik kijk.’
‘Stiekem.’
Daar had hij gelijk in. Ik had het stiekem gedaan. Omdat ik bang was dat hij meteen zou zeggen dat het onzin was. Of erger: dat hij zou doen alsof ik ondankbaar was voor alles wat we hadden.
De volgende dagen spraken we vooral over praktische dingen. Of de vuilnis buiten stond. Of Sanne zondag kwam. Of hij nog brood moest halen.
Hij gaat door met de tuin. De oude coniferen zijn er inmiddels uit. Het ziet er kaal en rommelig uit, alsof het huis zelf niet weet wat het wordt.
Ik heb ondertussen een afspraak gemaakt bij een makelaar. Niet om het huis meteen te koop te zetten, heb ik mezelf voorgehouden. Alleen om te weten wat het waard is. Dat is iets anders. Toch?
Vanmorgen zag ik Koos door het raam een plank schuren. Hij had oordoppen in en hoorde niet dat ik achter hem stond. Zijn handen zaten onder het zaagsel. Hij zag er tevreden uit, misschien voor het eerst sinds zijn afscheid.
Ik ben terug naar binnen gegaan en heb koffie gezet voor ons allebei.
De makelaar komt volgende donderdag. Koos weet dat nog niet.