Toen onze vriendschap langzaam veranderde in mantelzorg
Ik heb de laatste tijd mijn telefoon vaak op stil staan. Daar schaam ik me een beetje voor, want vroeger was ik juist degene die altijd meteen opnam. Zeker als ik zag dat Els belde.
Els en Rob wonen drie straten verderop. We kennen elkaar al ruim dertig jaar, vanaf de tijd dat onze kinderen nog op de basisschool zaten en wij op zaterdag langs het voetbalveld stonden met een kartonnen bekertje koffie. We gingen samen kamperen in Frankrijk, vierden oud en nieuw bij elkaar en pasten op elkaars katten als iemand een weekend weg was. Het was nooit ingewikkeld. Zij hoorden gewoon bij ons leven.
Mijn man Henk en ik zijn nu allebei 68. Hij werkte bij de gemeente, ik zat jarenlang in de administratie van een installatiebedrijf. Toen we stopten met werken, dachten we eerlijk gezegd: nu begint het rustige gedeelte. Niet dat we ineens maandenlang met een camper door Spanje wilden trekken, maar wel een paar dagen naar Limburg als het mooi weer was. Op dinsdagmiddag naar het museum. Zonder planning lunchen in de stad. Dingen waar we altijd aan toe waren gekomen zodra het “minder druk” werd.
Bij Rob en Els liep het anders. Rob kreeg problemen met zijn knieën en traplopen werd steeds lastiger. Els heeft reuma en is de laatste twee jaar snel moe. Hun dochter woont in Zwolle en hun zoon zit met zijn gezin in Canada. Ze hebben kennissen van de kaartclub, maar niemand bij wie ze echt aankloppen.
Het begon klein. Of Henk even een zware plantenbak naar achter kon zetten. Of ik Els mee wilde nemen naar het ziekenhuis in Nieuwegein, omdat Rob niet fijn rijdt in druk verkeer. Dat deden we zonder nadenken. Natuurlijk deden we dat. Als je vrienden bent, laat je elkaar niet met een lekke band of een ziekenhuisafspraak zitten.
Alleen bleef het niet bij die losse dingen.
Op een gegeven moment belde Els meestal al rond half negen. Niet elke dag, zei ik eerst tegen mezelf. Maar wel vaak genoeg dat ik er rekening mee ging houden. De boodschappen waren te zwaar. De vuilnisbak moest aan de straat. Rob had een brief van de zorgverzekeraar gekregen en begreep niet wat er stond. Hun cv-ketel gaf een storing aan. Er moest iemand thuis zijn voor de monteur. Of we wilden kijken naar een mail van de huisarts, want Els kon niet goed met DigiD overweg.
Soms was het ook iets waarvan ik dacht: dit kan best wachten. Dan zei Els bijvoorbeeld dat ze geen melk meer had, terwijl er een supermarkt op vijf minuten lopen zit. Maar voor haar was dat stukje lopen op een slechte dag blijkbaar niet niks. En als je iemand hoort zuchten aan de telefoon, zeg je niet makkelijk: probeer het morgen maar.
Henk werd stiller. Hij zei niet snel iets lelijks over mensen, zeker niet over Rob en Els. Maar ik merkte het als hij zijn jas weer aantrok terwijl hij eigenlijk in de schuur bezig was. Of als we een middagje naar de kust wilden en Els net belde met de vraag of we haar naar de apotheek konden brengen.
Een keer zaten we al in de auto, met broodjes in een trommel en een thermoskan koffie tussen ons in. We zouden naar Bergen aan Zee. Het was april, droog, eindelijk een beetje zacht weer. Toen belde Rob. Zijn scootmobiel deed het niet en hij had die middag fysiotherapie.
Henk keek naar het schermpje van mijn telefoon en zei alleen: “We kunnen ook een keer niet gaan.”
Dat klonk harder dan hij het volgens mij bedoelde. Ik nam toch op.
Die rit naar de fysiotherapeut was misschien drie kwartier heen en terug, maar de hele dag voelde daarna weg. Ik weet nog dat we thuis friet uit de airfryer aten en Henk vroeg of ik nog saus wilde. Verder zei hij weinig.
De week erna heb ik voorzichtig voorgesteld dat Rob en Els misschien eens bij de Wmo-loket van de gemeente konden informeren. Voor vervoer, huishoudelijke hulp, dat soort dingen. Els reageerde meteen alsof ik haar iets heel vernederends had voorgesteld.
“Wij zijn toch geen hulpbehoevende mensen?” zei ze.
“Nee, maar jullie hoeven ook niet alles via ons te regelen,” zei ik.
Dat had ik beter kunnen formuleren. Ik hoorde het zelf ook, te direct, alsof ze ons tot last waren.
Rob werd toen boos. Niet schreeuwen, dat doet hij nooit. Hij ging alleen heel rechtop zitten en zei: “Als je vrienden niet meer kunt vragen wanneer je ze nodig hebt, wat blijft er dan eigenlijk over?”
Daar had ik geen antwoord op. Want ik snapte hem wel. Hun wereld was kleiner geworden, de onze juist groter nu we tijd hadden. Dat verschil voelde ongemakkelijk.
Toch liep het door. We gingen mee naar afspraken, haalden medicijnen op, Henk snoeide hun heg omdat Rob dat niet meer kon. Een paar keer hebben we ook hun maaltijd opgewarmd omdat Els haar handen te stijf waren. Daarna zat ik thuis met een raar soort boosheid die nergens lekker terechtkon. Boos op hen, maar ook op mezelf omdat ik steeds ja zei en vervolgens verwachtte dat zij zouden merken dat het te veel werd.
Het echte gesprek kwam niet eens op een dramatisch moment. We zaten op een woensdagavond bij hen aan tafel. Els had nasi gemaakt uit zo’n pakje, met satésaus uit een pot. Rob vertelde dat ze graag in september een week naar een vakantiepark wilden, maar dat ze dan wel vervoer en hulp met de bagage nodig zouden hebben. Hij zei het alsof het al afgesproken was dat wij meegingen.
Henk legde zijn vork neer.
“We willen die week zelf weg,” zei hij.
Het werd heel stil. Els keek naar mij, niet naar hem.
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Daarna zei ik dat we iets moesten veranderen. Niet omdat we niet om hen gaven, juist wel. Maar omdat we niet meer elke dag stand-by konden staan. We wilden voortaan één vaste dag per week helpen, op donderdag. En als er echt iets acuuts was, dan was dat natuurlijk anders. Maar boodschappen, brieven, vervoer en klusjes moesten zoveel mogelijk op die dag, of via andere hulp geregeld worden.
Els begon te huilen. Niet hard, meer van die stille tranen die ze met haar servet wegveegde.
“Dus we moeten ons voortaan aanmelden?” vroeg ze.
Dat kwam verschrikkelijk binnen. Alsof ik een balie had geopend in plaats van iets uit te leggen.
Rob zei dat wij kennelijk al plannen hadden gemaakt voor een leven waarin zij niet voorkwamen. Henk antwoordde dat dat niet eerlijk was. Toen zei Rob: “Misschien niet. Maar zo voelt het wel.”
We zijn niet met ruzie weggegaan. We hebben zelfs nog koffie gedronken. Maar toen we thuis waren, zette Henk de vaatwasser aan zonder iets te zeggen. Ik ging op de bank zitten en keek naar de foto’s op mijn telefoon van die vakantie in Frankrijk, jaren geleden. Rob met een te klein strohoedje op, Els die altijd te veel salade maakte.
Sinds dat gesprek is het anders. Els belt minder. Op donderdag gaan we er meestal heen. Soms heeft ze een lijstje klaar, soms blijkt er niets dringends te zijn en drinken we alleen koffie. Rob heeft uiteindelijk huishoudelijke ondersteuning aangevraagd, al noemt hij het nog steeds “iemand die af en toe langskomt”. Voor het vervoer naar het ziekenhuis gebruiken ze soms Valys of de regiotaxi, al vindt Els dat gedoe.
Volgende maand willen Henk en ik drie nachten naar Texel. Ik heb het nog niet tegen hen gezegd. Niet omdat het geheim is, maar omdat ik nu al weet dat Els even stil zal vallen aan de andere kant van de lijn.
Mijn telefoon staat nog steeds vaak op stil. Maar iedere donderdag zet ik het geluid weer aan.