Onze vriend vond dat we onze pensioenreis moesten afzeggen omdat hij na zijn scheiding niet alleen kon zijn

De agenda op onze keukentafel lag al weken open op dezelfde bladzijde. April. Daar stond met blauwe pen omheen gekrast: Portugal, 3 april – 2 mei.

Mijn vrouw Els had het zelf geschreven, maanden geleden. We zouden met de camper langs de kust rijden, niet te veel plannen, gewoon kijken waar we uitkwamen. Na mijn afscheid bij de gemeente en haar laatste werkdag in de bibliotheek hadden we daar ontzettend naar uitgekeken. Geen wekker. Niet steeds oppassen omdat een van de kinderen vastzat op kantoor. Geen verplichtingen die stiekem toch weer in je weekend kruipen.

Maar sinds januari voelde die reis als iets waar we ons bijna voor moesten verontschuldigen.

Hans en Marijke waren al vrienden van ons sinds 1987. We leerden elkaar kennen op een camping in Frankrijk, nog met kleine kinderen, een veel te kleine tent en van die plastic bekers waar de wijn altijd naar smaakte. Daarna kwamen de zaterdagavonden, de gezamenlijke vakanties, de verjaardagen. Onze kinderen kennen elkaar nog steeds, al zien ze elkaar niet vaak meer.

Ik had nooit gedacht dat zij uit elkaar zouden gaan. Niemand geloofde het eigenlijk, ook Hans niet. Marijke had een appartement in Amersfoort gevonden en op een dinsdag in november stond Hans ineens bij ons op de stoep met een Albert Heijn-tas, alsof hij alleen even langs was geweest voor boodschappen. Hij bleef eten. Daarna bleef hij tot half twaalf zitten.

De eerste weken vonden we dat vanzelfsprekend. Els maakte pan soep, ik hielp hem met een paar dingen in huis. Zijn wifi deed het niet, hij snapte de televisie-instellingen niet meer, en zijn auto moest naar de garage. Dat soort dingen. Hij was 67, geen hulpeloos kind, maar je merkte dat hij totaal van slag was.

Hij zei vaak: “Ik wist niet dat stilte zoveel herrie kon maken.”

Daar kon ik weinig tegenin brengen.

Alleen bleef het niet bij die eerste weken. Hans belde bijna elke dag. Soms voor iets praktisch, maar meestal gewoon omdat hij niet wist wat hij met de avond aan moest. Als Els opnam en zei dat we net aan tafel zaten, hoorde ik hem soms op luidspreker zeggen: “O, nou, ik wil niet storen hoor. Ik dacht alleen… laat maar.”

Dan keek Els mij aan. En dan zei ze bijna altijd: “Kom anders even een kop koffie drinken.”

Voor we het doorhadden, aten we twee of drie keer per week met hem. Op zondag kwam hij vaak al rond vier uur. Hij zat dan in de fauteuil waar mijn vader vroeger altijd zat, met zijn jas nog aan, en zei dat hij heus niet lang bleef. Om kwart voor negen vroeg hij soms of hij beter kon gaan, op zo’n toon waarop je wist dat hij hoopte dat je nee zou zeggen.

Els werd stiller van die avonden. Niet omdat ze Hans niet mocht. Integendeel. Zij kende hem misschien nog beter dan ik. Maar ze had zich zo verheugd op de kleinkinderen ophalen van school, een cursus keramiek in het buurthuis en eindelijk eens een woensdagmiddag waarop niets hoefde.

Ik merkte dat ik geïrriteerd raakte van kleine dingen. Dat hij zonder vragen de laatste bitterbal pakte. Dat hij Marijke steevast ‘zij’ noemde. Dat hij bij iedere afspraak vroeg of wij in het weekend al iets deden, alsof onze agenda een soort gezamenlijke kalender was.

Daar schaam ik me ook voor. Een man zit kapot van verdriet en ik erger me aan een bitterbal.

Eind februari vertelde Els hem over Portugal. We zaten bij hem thuis. Hij had nog steeds de eettafel van vroeger, maar de helft van de spullen was weg. Op de vensterbank stonden drie dode plantjes. Els zei dat we waarschijnlijk begin april zouden vertrekken.

Hans keek eerst naar zijn bord. Daarna zei hij: “Een hele maand?”

“Ja,” zei ik. “Nu het nog kan.”

Hij lachte niet echt. “Dat is wel precies een lastige maand voor mij.”

Ik vroeg wat hij bedoelde.

“De verjaardag van Marijke. Onze trouwdag. Pasen ook nog. Allemaal voor het eerst alleen.”

Els legde meteen haar hand op zijn arm. Ik zag het gebeuren en voelde al waar dit heen ging.

Ik zei dat we vóór vertrek best een paar dagen iets leuks konden doen. Misschien naar het Openluchtmuseum, of een weekendje aan zee. Hans haalde zijn schouders op.

“Het gaat niet om een uitje, Arno. Ik bedoel gewoon… jullie zijn eigenlijk het enige vaste dat ik nog heb.”

Die zin bleef de hele autorit naar huis tussen ons in hangen.

Thuis zei Els dat ze hem begreep. Ik zei dat ik dat ook deed, maar dat wij niet zijn noodvoorziening konden worden voor alles wat in zijn leven weggevallen was. Daar kregen we voor het eerst echt ruzie over sinds lange tijd.

“Hij vraagt toch niet veel?” zei ze.

“Hij vraagt onze tijd. Steeds weer. En jij geeft die voordat ik überhaupt weet wat wij wilden doen.”

“Dus we laten hem maar zitten omdat wij lekker met de camper naar Portugal willen?”

“Niet lekker. Gewoon omdat we ook een leven hebben, Els.”

Ze werd boos toen ik zei dat Hans ons soms een schuldgevoel aanpraatte. Volgens haar was dat hard en ongenuanceerd. Misschien had ze gelijk. Hij deed het niet met een plan, denk ik. Hij was gewoon bang om alleen te zijn. Maar dat maakt het effect niet minder benauwend.

Een week later belde hij op een dinsdagavond. Ik nam op. Hij vroeg wat we deden. Ik zei dat Els bij haar zus was en dat ik voetbal keek.

“Gezellig,” zei hij. “Ik zit hier weer naar die stomme quiz te kijken.”

Ik wachtte even. Toen zei ik dat ik hem best wilde spreken, maar niet die avond. Ik had geen zin in bezoek en ik wilde ook niet liegen dat ik al iets gepland had.

Aan de andere kant bleef het stil.

Toen zei hij: “Je bent veranderd sinds je met pensioen bent.”

Dat was gemeen, vond ik. Misschien vooral omdat ik zelf ook bang was dat het waar was. Ik zei alleen: “Nee, Hans. Ik probeer juist te voorkomen dat ik straks weer iedere dag leef volgens wat iemand anders van me nodig heeft.”

Hij hing niet op. Hij zei ook geen sorry. Uiteindelijk wenste hij me een fijne avond, heel netjes ineens.

De volgende ochtend appte Els me vanuit bed, terwijl ik beneden koffie zette. We waren allebei wakker geweest, maar hadden nauwelijks gepraat.

Ze schreef: ‘Ik vind het vreselijk voor hem. Maar ik wil ook nog steeds naar Portugal.’

Ik heb teruggestuurd: ‘Dan gaan we.’

We hebben Hans dat weekend uitgenodigd voor koffie. Els had zichtbaar moeite met wat ze wilde zeggen. Uiteindelijk zei ze dat we zouden gaan, dat de reis niet ter discussie stond, maar dat we vooraf samen met hem wilden kijken wie hij nog meer kon bellen en wat hem zou kunnen helpen op moeilijke dagen. Zijn broer woont in Deventer, hij heeft een oude collega met wie hij vroeger fietste, en via de huisarts had hij misschien iemand kunnen spreken. Niet omdat wij van hem af wilden, zei Els nadrukkelijk, maar omdat drie mensen niet een heel leven kunnen dragen.

Hans werd rood. Hij zei dat hij geen project wilde worden. Toen zei hij iets wat ik nog steeds niet goed kan plaatsen: “Ik had gedacht dat jullie wisten wat vriendschap betekende.”

Els begon te huilen. Niet hard, gewoon stil, met haar handen om haar koffiekop heen.

Hij is daarna vrij snel weggegaan.

Over twee weken vertrekken we. De camper staat al bij mijn zwager op de oprit, met nieuwe banden eronder. Hans heeft sinds dat gesprek twee keer geappt. Eén keer over een rekening die hij niet begreep en één keer alleen een duimpje op een foto die Els van onze kleindochter stuurde.

Gisteren vroeg Els of we hem voor vertrek nog een keer moesten uitnodigen. Ik zei: “Als jij dat wilt, doen we dat.”

Ze knikte, maar pakte haar telefoon niet. Daarna zette ze de koffie en vroeg ze of ik wist waar onze paspoorten lagen.