Mijn man wil met de camper weg, maar onze beste vrienden voelen zich achtergelaten

De camper staat sinds drie weken bij ons in de straat. Wit met een donkergrijze streep, nog veel te groot voor onze oprit eigenlijk. Kees poetst hem bijna elke dag, ook als het regent. Dan staat hij met een doekje de spiegels te doen en kijkt hij ernaar alsof hij hem zelf heeft gebouwd.

Hij is 64, sinds januari met pensioen na 41 jaar bij een installateur in Utrecht. De eerste weken was hij rusteloos. Hij ruimde de schuur op, maakte een schema voor de tuin, liep ineens iedere ochtend naar de bakker. Daarna begon hij filmpjes te kijken over overwinteren in Portugal en camperplaatsen in Frankrijk.

‘We hebben nog tijd, Marije,’ zei hij op een avond. ‘Maar die tijd moeten we wel gebruiken.’

Dat klonk niet onredelijk. Ik ben 62 en werk nog twee ochtenden per week bij de bibliotheek. Ik heb ook altijd gezegd dat ik meer van Europa wilde zien dan de campings waar we vroeger met de kinderen kwamen. Geen haast, geen schoonouders die ergens op ons wachtten, geen natte tenten. Gewoon weg kunnen wanneer het ons uitkomt.

Alleen zijn wij nooit echt met z’n tweeën geweest.

Sinds 1987 trekken we op met Henk en Els. Eerst omdat Henk met Kees in dezelfde werkplaats zat. Daarna omdat Els en ik allebei jonge moeders waren die op woensdagmiddag te veel koffie dronken terwijl de kinderen boven ruzieden om Lego. Onze kinderen zijn min of meer samen opgegroeid. We gingen naar Texel, later een paar keer naar Italië. Toen mijn vader overleed, zat Els naast me op de bank zonder steeds te vragen hoe het ging. Toen Henk een tijdje zonder werk zat, hielp Kees hem met sollicitatiebrieven, hoewel hij zelf dyslectisch is en daar een hekel aan heeft.

De laatste jaren werd onze week bijna vanzelf ingedeeld. Donderdag eten bij hen of bij ons. Zondagmiddag soms een wandeling, soms alleen koffie met appeltaart uit de supermarkt. Met kerst een gourmetstel dat nooit goed warm werd. Het klinkt misschien klein, maar het was de ruggengraat van ons leven.

Henk is twee jaar ouder dan Kees. Hij heeft sinds vorig voorjaar last van zijn hart. Niet voortdurend ernstig, maar er zijn onderzoeken geweest, medicijnen aangepast, en hij wordt snel moe. Els doet luchtig, zoals ze altijd doet. Ze zegt dan: ‘Hij is gewoon een oud model.’ Maar ik zie dat ze hem in de gaten houdt als hij de trap op loopt.

Zelf heeft Els reuma in haar handen. Op slechte dagen krijgt ze de dop van een potje niet open. Ze vertelt dat lachend, maar ik weet hoe hard ze het vindt om hulp te moeten vragen.

We hebben de camper eerst niet groot aangekondigd. Kees zei dat we nog niets hoefden uit te leggen voordat alles rond was. Dat vond ik toen wel prettig. Het voelde alsof we iets heel kwetsbaars hadden: een plan dat nog kapot kon gaan als andere mensen er meteen iets van vonden.

Maar Henk zag hem natuurlijk. Hij kwam op een zaterdag langs om een boormachine terug te brengen.

‘Nou,’ zei hij, terwijl hij naar de straat keek, ‘jullie gaan zeker niet alleen een broodje halen daarmee.’

Kees vertelde enthousiast over Spanje, misschien drie maanden weg na de zomer, en daarna kijken hoe het bevalt. Ik zag Els stil worden. Niet boos, eerder alsof ze iets aan het uitrekenen was waar geen goede uitkomst aan zat.

Die donderdag bij hen werd vreemd. Els had stamppot gemaakt terwijl het buiten achttien graden was. Henk zei bijna niets. Kees praatte juist extra veel. Over zonnepanelen op het dak, over dat je in Duitsland zo mooi langs de Moezel kunt rijden. Ik probeerde af en toe een ander onderwerp te beginnen, maar dat werd alleen maar ongemakkelijker.

Toen we koffie kregen, zei Els: ‘Dus jullie zijn straks gewoon maanden weg?’

Kees haalde zijn schouders op. ‘Misschien. Daar hebben we toch voor gewerkt?’

‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘Maar ik dacht… wij zijn altijd samen geweest in de belangrijke dingen.’

Hij reageerde sneller dan nodig was. ‘We gaan niet emigreren, Els.’

Henk keek naar zijn koffie. ‘Nee, maar als er iets is, zijn jullie er ook niet.’

Ik weet nog dat ik naar de schaal met koekjes keek. Van die lange, dunne kaakjes die Els altijd koopt omdat Henk die lekker vindt. Ik dacht alleen maar: zeg nou iets normaals. Zeg dat we bereikbaar zijn. Zeg dat we kunnen terugkomen. Maar het klonk allemaal onvoldoende nog vóór ik het uitsprak.

‘We kunnen toch bellen?’ zei ik uiteindelijk.

Els knikte, maar niet alsof ze het ermee eens was. ‘Ja. Bellen.’

Op de terugweg zei Kees dat ze ons een schuldgevoel aanpraatten.

‘We hebben ons hele leven rekening gehouden met iedereen,’ zei hij. ‘Met werk, kinderen, ouders. Nu mogen we toch zelf bepalen hoe we leven?’

Ik zei dat Henk en Els niet iedereen waren.

Daar werd hij kwaad om. Niet schreeuwen, Kees schreeuwt zelden, maar hij ging harder praten en reed te hard over de rotonde bij het winkelcentrum. ‘Dus omdat Henk ouder wordt en Els pijn aan haar handen heeft, moeten wij thuis blijven zitten? Waar houdt dat op?’

Ik had geen antwoord dat niet laf klonk. Want ik wil inderdaad mee. Ik wil wakker worden op een plek waar ik niemand ken. Ik wil in februari in de zon zitten zonder dat ik me schuldig voel omdat ik een berichtje van Els te laat beantwoord. Ik ben niet alleen maar vriendin, dochter, moeder en oma. Dat is misschien lelijk om hardop te zeggen, maar het is wel waar.

Tegelijkertijd dacht ik aan Els, die na mijn borstkankeroperatie een tas met schone onderbroeken en tijdschriften bij het ziekenhuis bracht omdat Paul, onze zoon, het was vergeten. Ze zei niets verwijtends. Ze wist gewoon wat er nodig was.

Een week later stuurde ze me een bericht: ‘Kunnen we even zonder de mannen koffie drinken?’

We zaten bij haar aan de keukentafel. Ze had een handdoek onder een kom gelegd omdat haar vingers die ochtend zo stijf waren dat ze bang was dat ze hem liet vallen. Dat detail maakte me veel emotioneler dan haar woorden.

Ze zei dat ze Kees zijn vrijheid gunde. Mij ook. Maar dat ze zich afvroeg of wij begrepen hoe hun leven nu kleiner werd. Hun dochter woont in Groningen, hun zoon in België. Veel kennissen van vroeger zijn verhuisd, gescheiden of overleden. ‘Jullie zijn niet zomaar een gezellig uitje voor ons,’ zei ze. ‘Jullie zijn ons vaste punt.’

Ik zei dat dat voor ons ook zo was.

‘Maar jullie kunnen dus wel zonder dat vaste punt,’ zei ze rustig.

Dat deed pijn, juist omdat er iets van waarheid in zat. Misschien kunnen wij het wel. Of denken we dat alleen omdat wij nog niet degene zijn die op dinsdagmiddag naar een cardioloog moet en daarna thuiskomt in een stil huis.

Kees heeft inmiddels een route gemaakt tot aan Valencia. Hij wil begin september vertrekken. Hij praat nu ook over Marokko, al denk ik dat hij dat vooral zegt om te kijken hoe ik reageer.

Met Henk en Els hebben we afgesproken dat we komende donderdag bij ons eten. Gewoon, zoals altijd. Kees wil lasagne maken, wat hij alleen doet als hij zenuwachtig is. Ik heb Els vandaag geappt dat we niet drie maanden in één keer weggaan, maar eerst zes weken proberen. Ik weet niet of dat een compromis is of alleen een zachtere versie van hetzelfde afscheid.

Ze antwoordde pas uren later: ‘Fijn dat jullie erover nadenken.’

Meer niet.

Vanmiddag zag ik Kees door het raam bij de camper staan, met een rol elektriciteitskabel in zijn handen. Hij keek naar de lucht alsof hij al ergens anders was. In de keuken lag mijn telefoon naast een lijstje voor donderdag: lasagnebladen, sla, alcoholvrij bier voor Henk, handcrème voor Els.

Ik heb die kabel niet opgerold voor Kees. Ik heb ook Els niet opnieuw geappt. Ik ben eerst maar de vaatwasser gaan uitruimen, omdat die piepte.