Mijn vrouw wil dat haar weduwe vriendin bij ons komt wonen, maar ik ben bang dat wij ons eigen pensioen kwijtraken
De maandag nadat Theo begraven was, stond er een pan met stamppot op ons aanrecht die we niet nodig hadden. Mijn vrouw Ellen had hem gemaakt voor Marijke, maar Marijke nam niet op. Uiteindelijk zijn we erheen gereden, met die pan op schoot tussen de jassen.
Dat was nu bijna elf maanden geleden.
Theo en ik kenden elkaar vanaf de voetbal van onze jongens. De kinderen zijn inmiddels allemaal de deur uit, twee wonen er zelfs in het buitenland. In die tijd deden wij alles samen. Zaterdagavond eten, in de zomer met de caravan naar Frankrijk, oud en nieuw om en om bij elkaar. Ellen en Marijke noemden elkaar geen beste vriendinnen, daar waren ze te nuchter voor. Maar ze belden elkaar soms drie keer per dag. Theo en ik maakten daar grappen over.
Toen hij ziek werd, alvleesklierkanker, ging het snel. Ik heb Theo nog naar het ziekenhuis gereden toen hij zelf niet meer mocht autorijden. Ellen was er voor Marijke bij de gesprekken met de huisarts, bij de thuiszorg, bij het uitzoeken van kleding voor de begrafenis. Het voelde niet als een keuze. Je doet dat voor elkaar.
Na de uitvaart werd het anders. Niet ineens, maar langzaam.
Marijke belde ’s ochtends omdat de cv een tikkend geluid maakte. Die deed het gewoon, bleek later. Ze belde ’s middags omdat ze niet wist wat ze moest koken voor één persoon. En ’s avonds omdat het huis volgens haar anders klonk zonder Theo. Dat laatste begreep ik heel goed. Ik heb haar daar nooit op afgerekend.
Ellen ging eerst twee, soms drie avonden per week bij haar eten. Daarna bleven we in het weekend vaker slapen. Marijke woont in een rijtjeshuis in Amersfoort, wij in een appartement in Zeist. Zij heeft een logeerkamer en wij niet echt; onze tweede kamer staat vol met dozen, een hometrainer en de oude boekenkast van mijn moeder die Ellen niet weg wil doen.
In het begin vond ik het ook fijn om iets te kunnen betekenen. De eerste keer dat Marijke weer om een slechte grap van me lachte, dacht ik: kijk, er komt misschien toch weer wat lucht.
Maar na een maand of vier merkte ik dat ik op vrijdag al moe werd van het idee dat we een tas moesten pakken. Ik was net met pensioen gegaan bij de gemeente. Ellen werkte nog twee dagen per week in een apotheek, maar zou een halfjaar later ook stoppen. Ik had me die periode heel anders voorgesteld. Niet spectaculair. Gewoon rustig ontbijten, fietsen als het droog was, eens op dinsdag naar een museum zonder dat je ergens rekening mee hoeft te houden.
In plaats daarvan zaten we bijna elke zondagavond met een dichtgeknoopt gevoel in de auto omdat Marijke weer alleen achterbleef.
Ik zei er weinig van, juist omdat het zo kleinzielig klonk in mijn eigen hoofd. Theo lag nog geen jaar onder de grond. Wat stelde mijn behoefte aan een lege zondagmiddag dan voor?
Toch kwam het eruit toen Ellen op een woensdag zei dat we misschien de komende drie weekenden bij Marijke konden blijven. Ze had het moeilijk, zei ze. Vooral de zondagen.
Ik was pasta aan het afgieten en zei: “Maar wij hebben toch ook een huis?”
Ellen keek me aan alsof ik iets heel raars zei.
“Ze vraagt niet veel, Kees. Ze wil gewoon niet steeds alleen wakker worden.”
“Drie weekenden is niet gewoon even helpen.”
“Je weet hoe het is bij haar.”
Nee, dat wist ik niet. Ik wist hoe het was om mijn vriend te missen. Maar ik wist niet hoe het was om na 38 jaar huwelijk alleen in bed te liggen. Daar schaamde ik me op dat moment ook voor, want ik dacht: misschien moet ik mijn mond houden zolang ik dat niet weet.
We gingen toch. Het eerste weekend, het tweede weekend ook. Marijke deed haar best, dat moet ik eerlijk zeggen. Ze haalde verse broodjes, zette speciaalbier voor me koud en vroeg of ik nog naar de Formule 1 wilde kijken. Maar alles hing tegelijk in de lucht: dat wij er waren omdat Theo er niet meer was.
Ze wilde voortdurend plannen maken. Naar de markt, lunchen bij dat tentje waar we vroeger met z’n vieren zaten, een paar dagen naar Texel. Als ik zei dat ik liever thuis wat wilde klussen, trok haar gezicht dicht. Niet boos. Eerder alsof ze zich weer moest herinneren dat ze niemand meer had die vanzelf naast haar stond.
Daar kan ik blijkbaar slecht tegen. Ik gaf dan toch toe.
Onze dochter Merel merkte het als eerste op. We zaten bij haar te eten en zij vroeg waarom we nooit meer thuis waren in het weekend. Ellen vertelde kort hoe het ging. Merel knikte en zei toen: “Mam, helpen is goed. Maar jullie kunnen haar leven niet voor haar invullen.”
Ellen werd daar heel stil van. Later in de auto zei ze dat Merel makkelijk praten had, met een druk gezin en vrienden op school. Marijke had bijna niemand meer over. Haar zus woont in Spanje, haar zoon werkt op boorplatforms en is volgens Marijke ‘altijd te druk’.
Dat klopte deels. Maar ik zag ook dat Marijke steeds minder zelf iets ondernam zodra wij beschikbaar waren. Ze was gestopt met de wandelgroep waar ze net lid van was geworden, omdat de mensen volgens haar toch alleen over hun kleinkinderen praatten. Een cursus keramiek had ze na twee lessen laten lopen. “Niet mijn types,” zei ze.
Toen kwam de vraag.
We zaten op een zondagmiddag bij haar aan tafel. Buiten miezerde het, zo’n grijze dag waarop je om vier uur al de lampen aandoet. Ellen en Marijke waren foto’s aan het bekijken op een tablet. Theo met een te grote zonnebril in Frankrijk, Theo op de camping met een te korte barbecue-tang. Er werd gelachen, toen gehuild. Ik was bezig de vaatwasser in te ruimen.
Marijke zei heel zacht: “Ik heb ergens over nagedacht.”
Ze keek niet naar mij, maar naar Ellen.
“Jullie hebben die tweede kamer toch? Misschien kan ik eerst eens een paar maanden bij jullie komen. Niet als logé, echt gewoon… samen. Dan zijn we niet steeds heen en weer aan het rijden. We worden ouder, hè. Misschien is het juist fijn om samen oud te worden.”
Ellen pakte meteen haar hand vast.
Ik weet nog dat ik een bord vasthad. Een gewoon wit bord van Ikea, met een klein chipje aan de rand. Ik zette het te hard neer. Niet expres, maar het geluid was hard genoeg dat ze allebei opkeken.
Ik zei dat we daar over moesten nadenken.
Marijke knikte snel, alsof ze zelf ook schrok van haar vraag. Ze zei dat ze heus geen last wilde zijn. Dat ze desnoods mee kon betalen aan de boodschappen. Dat ze ook vaak bij haar zoon had kunnen vragen, maar dat dat niet hetzelfde was.
In de auto zweeg Ellen bijna de hele rit naar huis. Bij ons voor de deur zei ze: “Je hoeft niet meteen zo te doen.”
Ik vroeg wat ik dan precies had gedaan.
“Alsof ze iets schandelijks vraagt.”
“Ze vraagt of ze bij ons komt wonen, Ellen.”
“Ze vraagt of wij haar niet helemaal laten vallen.”
Daar ging het mis tussen ons. Niet met geschreeuw, maar met dingen die je niet meer terugneemt. Ik zei dat ik geen invaller voor Theo wilde worden. Ellen zei dat ik alleen maar aan mezelf dacht nu ik eindelijk tijd had. Ik zei dat zij misschien liever nodig wilde zijn dan thuis met mij wilde zitten. Dat was laag. En misschien zat er ook iets waars in, maar zo had ik het niet moeten zeggen.
Sindsdien is het ongemakkelijk. Marijke weet dat we twijfelen, al hebben we haar nog geen antwoord gegeven. Ze stuurt Ellen berichten over praktische dingen: dat ze haar administratie eindelijk heeft uitgezocht, dat ze een huisje op Texel heeft gezien voor april, dat ze misschien toch een advertentie voor een kleine huurwoning dichter bij ons moet bekijken. Bij dat laatste staat dan een lachende emoji, maar ik lees er iets anders in.
Ellen heeft de tweede kamer opgemeten. Ik zag het vorige week aan haar telefoon toen ze op de bank in slaap was gevallen: een notitie met afmetingen, een bedbank, kastjes van Marktplaats.
Ik heb die notitie niet genoemd. Ik heb alleen de volgende ochtend de koffie gezet en gevraagd of ze zondag thuis wilde blijven. Gewoon wij tweeën.
Ze zei: “Ik zal Marijke bellen.”
Maar ze pakte haar telefoon niet meteen. Die bleef tussen ons op tafel liggen, naast de suikerpot die we eigenlijk nooit gebruiken.