Ik gaf mijn huis aan mijn zoon. Nu woon ik in een huurkamer en vraag ik me af of hij nog van me houdt.

‘Waarom bel je niet gewoon even aan, mam?’ hoorde ik de stem van mijn zoon, Daan, nog in mijn hoofd galmen. Het was een week geleden, toen ik hem voor het laatst sprak. Ik lag nu in het smalle bed van mijn huurkamer, het licht van de straatlantaarn viel door de dunne gordijnen. Mijn hart bonsde in mijn borst. Ik had mijn huis aan Daan gegeven, het huis waar ik hem had zien opgroeien, waar ik zijn eerste stapjes had gezien, zijn eerste tranen had gedroogd. En nu woonde ik hier, in een kamer die niet van mij was, met een kast uit de jaren negentig en een gedeelde keuken met twee jonge meiden die me nauwelijks groetten.

‘Mam, je hoeft je geen zorgen te maken. Jij redt je wel, toch?’ had Daan gezegd, zijn blik op zijn telefoon gericht. Ik had geknikt, want wat moest ik anders? Ik wilde hem niet tot last zijn. Hij had het huis nodig, met zijn vriendin en hun kleine op komst. Natuurlijk gunde ik hem dat. Maar nu, zes maanden later, voelde ik me een indringer in mijn eigen leven.

Elke ochtend werd ik wakker zonder de geur van koffie, zonder het geluid van de oude parketvloer onder mijn voeten. Mijn boeken stonden niet meer op de plank, mijn foto’s lagen in een doos onder het bed. Soms, als ik de trap afliep naar de gedeelde keuken, hoorde ik de meiden lachen. Ze keken me aan alsof ik een vreemde was, iemand die per ongeluk hun wereld was binnengedrongen.

‘Goedemorgen,’ probeerde ik, maar hun blikken gleden over me heen. Ik zette water op voor thee, want koffie smaakte hier niet hetzelfde. Mijn handen trilden een beetje. Ik dacht aan Daan, aan hoe hij vroeger altijd zijn armen om me heen sloeg als hij verdrietig was. Nu stuurde hij af en toe een appje: ‘Alles goed, mam?’

Ik wilde hem bellen, hem vertellen hoe leeg ik me voelde. Maar ik deed het niet. Ik wilde niet klagen. Ik wilde sterk zijn, zoals altijd. Maar soms, als de stilte te luid werd, kon ik het niet meer tegenhouden. Dan pakte ik mijn telefoon en scrolde door oude foto’s. Daan als kleine jongen, met zijn blonde haren en ondeugende glimlach. Daan op zijn eerste schooldag, zijn hand stevig in de mijne.

‘Waarom heb ik het huis eigenlijk weggegeven?’ vroeg ik mezelf hardop, mijn stem schor. Was het echt voor hem, of omdat ik dacht dat het zo hoorde? Mijn ex-man, Kees, had altijd gezegd dat moeders zich moesten opofferen. ‘Dat is wat moeders doen, Anna. Je geeft alles voor je kind.’ Maar nu voelde het alsof ik mezelf had weggecijferd tot ik niet meer bestond.

Op een regenachtige woensdag besloot ik langs te gaan bij Daan. Ik stond voor het huis, mijn huis, en keek naar het nieuwe naambordje: ‘Daan & Sophie’. Mijn naam stond er niet meer. Ik haalde diep adem en belde aan. Sophie deed open, haar buik al rond. ‘Oh, hoi Anna. Kom binnen.’ Haar stem was vriendelijk, maar haar ogen vermeden de mijne.

Binnen rook het anders. Geen geur van appeltaart, geen bloemen op tafel. Alles was veranderd. Daan kwam de trap af, zijn gezicht verrast. ‘Mam! Wat doe je hier?’

‘Ik… ik wilde gewoon even kijken hoe het gaat,’ stamelde ik. Hij glimlachte, maar het was niet de glimlach van vroeger. ‘Druk, mam. We zijn druk met de baby en zo. Maar leuk dat je er bent.’

We zaten aan tafel, ik tegenover hem. Sophie rommelde in de keuken. Ik probeerde te vragen naar zijn werk, naar de baby, maar het gesprek bleef oppervlakkig. Alsof er een onzichtbare muur tussen ons stond.

‘Mis je het huis?’ vroeg hij ineens, zijn stem zacht.

Ik slikte. ‘Soms wel. Maar het is nu van jullie. Dat is goed zo.’

Hij knikte, maar keek me niet aan. ‘Je weet dat je altijd welkom bent, toch?’

Ik glimlachte, maar voelde de tranen branden. ‘Ja, dat weet ik.’

Toen ik weer buiten stond, voelde ik me leger dan ooit. De regen viel op mijn gezicht, maar ik veegde de tranen niet weg. Ik liep terug naar mijn kamer, naar de geur van vreemden en het geluid van onbekende stemmen.

Die avond, terwijl ik naar het plafond staarde, dacht ik aan alles wat ik had opgegeven. Mijn huis, mijn plek, mijn zekerheid. En ik vroeg me af: als je alles weggeeft voor je kind, wat blijft er dan nog van jezelf over? Houdt hij nog van me, nu ik niet meer nodig ben?

Misschien is dat de prijs van moeder zijn. Maar soms vraag ik me af: had ik niet ook een beetje voor mezelf mogen kiezen? Wat denken jullie?