Nog steeds niet wakker, Sanne? Huub moet toch ontbijten!

‘Nog steeds niet wakker, Sanne? Huub moet toch ontbijten!’ De stem van mijn schoonmoeder schalde als een opgefokte wekker door de telefoon, terwijl mijn hoofd nog maar half los was van het kussen. Geërgerd kijk ik naar het display: kwart over negen. Wat maakt het uit, op zondag? Mijn schouders zakten, ik probeerde beleefd te blijven. ‘Ja, Mieke, ik ben er al bijna uit…’ maar ze luistert niet, hoor ik aan het gerommel op de achtergrond. Nu is ze tegen Huub aan het mopperen bij ons thuis, aan de andere kant van het dorp. ‘Sanne is vast nog aan het slapen, Huub, daarom heb je nog niks gegeten!’

Daar lig ik dan – met mijn mobiel op mijn borst, terwijl de regen zachtjes tegen het raam tikt. Ik weet niet meer wat erger is: haar bemoeienis, of Huub die met open mond blijft luisteren. Ik draai me om naar zijn kant van het bed, maar natuurlijk ligt hij er niet meer. Gisteravond bleef hij weer tot laat gamen, headset op, chips op de grond. De geur van koude frituur herinnerde me waarom ik mijn eigen eten was gaan maken.

Ik zucht hardop en staar naar mijn mismatched sokken die op de bureaustoel liggen. Mijn leven voelt als dat: een verzameling losse dingen zonder systeem. En waarom? Omdat ik die ene jongen – die, eerlijk is eerlijk, tien jaar geleden alle kamers kon verlichten met zijn grappen en gekke dansjes – nog steeds probeer te redden van zijn eigen gemakzucht. ‘Waarom red ik altijd iedereen behalve mezelf?’ fluister ik hardop, en voel hoe de tranen prikken.

Boos trek ik een joggingbroek aan, stamp de woonkamer in. Huub en de PlayStation zijn onafscheidelijk, net als het tapijt en de modder van zijn voetbalschoenen. ‘Ontbijt, Huub?’ vraag ik, maar het is nauwelijks een vraag; het is meer een automatische handeling. ‘Ehm, ja… doe maar tosti.’ Zijn blik blijft op het scherm. Geen dankjewel, geen blik, alleen een vage handbeweging.

Aan de keukentafel zie ik de vaat van gisteren, zijn bierglazen, mijn koffiekopjes – zelfs het boterkuipje staat open, want afsluiten is te veel moeite. De kruimels weer overal. Twintig minuten later staat zijn tosti op tafel, koud al voordat hij zijn level gehaald heeft. Hij grijpt de tosti en loopt ermee naar de bank. Ik ben lucht. De vaatwasser piept, het aanrecht lekt. In mijn hoofd zie ik een versie van mezelf die keihard schreeuwt, alles opveegt, in een koffer gooit en gewoon wégloopt.

Die middag komt zijn moeder onverwacht langs. Alsof het afgesproken spel is – haar hand op Huubs rug, haar blik kritisch over de vloer. Ze moppert over de rommel, en dat ik er geen kaas van heb gegeten om voor een man te zorgen. ‘Vroeger was dit huis altijd schoon. Kom, Huub, even naar buiten. Sanne zal het hier wel weer schoonmaken.’ Het mes draait nog wat dieper. Huub volgt haar, zonder enige protest, zonder zelfs maar op te merken dat mijn lip trilt.

Als ze terugkomen, worden de taken verdeeld: ik mag de aardappels schillen voor het eten met zijn familie. Mijn handen trillen, ik mis zelfs een aardappel. Huub zit met zijn vader voetbal te kijken, bier in de hand, lachend om stomme memes. Zijn moeder tiert nog even na; doet het zelf dan maar. Mijn plek is nergens, behalve tussen etensresten en afwas.

In de badkamer probeer ik te huilen, maar de tranen zitten klem. Mijn spiegelbeeld staart me aan: bleke wangen, donkere kringen onder mijn ogen. Wanneer ben ik mezelf eigenlijk kwijtgeraakt? Toen Huub niet op kwam dagen voor mijn afstudeerborrel? Of toen zijn moeder vertelde dat vrouwen ‘nu eenmaal voor de sfeer moeten zorgen’? Of misschien toen hij, zonder te vragen, zijn vrienden iedere vrijdag uitnodigde voor bierpong – ongeacht of ik nachtdienst had gehad?

’s Avonds aan tafel zit ik erbij als een vreemde. ‘Dus Sanne, wanneer wil je kinderen eigenlijk?’ vraagt zijn moeder tussen neus en lippen. Huub lacht, antwoordt niet, kijkt naar zijn bord. ‘Kinderen? Ik? Nu? Eerst nog een cursus ‘voor jezelf zorgen’ graag,’ denk ik. Maar ik zeg het niet – ik slik het in, net als alles de afgelopen jaren.

Het etentje eindigt in een discussie over vakantiebestemmingen die ik nooit mag kiezen. Zijn moeder wil Zeeland, Huub wil Ibiza. Wat wil jij, Sanne?’ Ik wil stilte.

Die nacht lig ik wakker, naast Huub die zachtjes snurkt en met zijn rug naar me toe ligt. Ik kan alleen maar huilen om alles wat ik niet zeg, alles wat ik altijd slik. Mijn mobiel trilt – een appje van mijn beste vriendin, Romy: ‘Wil je alsjeblieft een keer voor jezelf kiezen?’ Ik staar naar de tekst, alsof het een code is die ik moet kraken. Iets in mij breekt open.

De dagen daarna kruipen voorbij. Ik probeer te praten met Huub, maar hij snapt het niet. ‘Doe niet zo moeilijk, Sanne. Het is gewoon even druk nu. Mam bedoelt het goed, jij zeurt alleen altijd.’ Elke keer als hij ‘jij’ en ‘altijd’ zegt, voel ik me kleiner worden. Ook als ik hem vertel dat ik geen moeder wil zijn van mijn vriend. Dan lacht hij: ‘Doe normaal, je doet het gewoon graag voor me.’ Doet hij ooit iets graag voor mij? Vraag ik me af.

Het is Romy die op een donderdagavond binnenstapt met een doos in haar armen. ‘Als jij niet voor jezelf pakt, pak ik het voor je. Kom op, je kleren erin, we gaan.’ Mijn handen trillen, maar ik voel iets van hoop. Tijd voor vragen is er niet; alleen een ‘ja, nu’. Terwijl Romy spullen in de doos gooit – foto’s, truien, het plantje van mijn oma – zit Huub niksvermoedend in zijn gamewereld. Als hij om tien uur uit de woonkamer komt en ons ziet, is de verbazing kortstondig. ‘Wat doe je?’ vraagt hij. ‘Ik ga,’ zeg ik. ‘Waarheen dan? Waarom nu?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Omdat ik telkens hoopte dat jij zou veranderen. Maar ik kan alleen mezelf veranderen.’

Zijn moeder belt die avond nog drie keer. De vierde keer zet ik mijn telefoon uit. Romy rijdt me naar haar appartement. Het is te klein, vol planten, maar er heerst rust. Voor het eerst in maanden slaap ik diep. ’s Ochtends word ik wakker van de geur van verse koffie, niet van een stem die me verwijt te weinig te doen. Ik kijk in de spiegel en lijk weer op mezelf. De weken daarna volgt verdriet: om het verlies van wat had kúnnen zijn, om de tijd die ik niet terugkrijg. Maar ook opluchting: geen koude tosti’s meer, geen moeder die met haar vinger wijst.

Mensen vragen hoe het nu gaat. Ik antwoord eerlijk: het is wennen, het is moeilijk, maar vooral… het is míjn keuze. Soms hoor ik zijn moeder nog in mijn hoofd: ‘Vrouwen moeten…’ – maar ik stop haar stem nu. Mijn leven, mijn regels.

Ben ik egoïstisch geweest? Had ik harder mijn best moeten doen, of is er ergens een grens die je niet over moet laten gaan? Wanneer wordt zorgen voor de ander eigenlijk zorgen tegen jezelf? Wat zouden jullie doen, als je moest kiezen tussen jezelf redden of blijven hopen op verandering die maar niet komt?