In 1979 nam ik negen meisjes op in mijn hart — en 46 jaar later kan ik nog steeds niet bevatten wat er van ons is geworden

Mijn handen trilden zo hard dat ik de metalen deurklink van het kindertehuis in Rotterdam bijna niet omlaag kreeg. Ik weet nog dat ik dacht: Arend, als je nu omdraait, doe je wat iedereen van je verwacht. Maar toen hoorde ik achter die deur een baby huilen, schor en wanhopig, en iets in mij brak open.

“Meneer De Bruin, u begrijpt toch wel dat dit geen normale aanvraag is?” zei de maatschappelijk werkster, mevrouw Van Houten, terwijl ze haar bril rechtzette. “U bent alleenstaand. U woont in een rijtjeshuis in Schiedam. En u hebt het over… negen meisjes?”

Ik keek haar aan en zei iets wat zelfs voor mij veel te groot klonk: “Als niemand ze wil, dan wil ik ze wel. Alle negen. Geen kind hoort op te groeien met het gevoel dat ze al verloren heeft voordat haar leven begonnen is.”

In 1979 was ik 38, buschauffeur bij de RET, weduwnaar, en volgens mijn familie vooral iemand die “weer eens iets onmogelijks in zijn hoofd had gehaald”. Mijn vrouw Marijke was drie jaar eerder overleden aan borstkanker. We hadden nooit kinderen gekregen. De stilte in huis vrat aan me. Haar lege stoel aan tafel, haar jas nog maanden aan de kapstok, de twee kopjes koffie die ik eerst nog automatisch pakte. Ik leefde, maar ik voelde me niet meer nodig.

Tot ik via een kennis uit de kerk hoorde van een groep babymeisjes die nauwelijks bezoek kregen. Donkere meisjes, pasgeboren of nog maar een paar maanden oud, ondergebracht in verschillende tehuizen en opvanggezinnen. Sommige mensen spraken erachter mijn rug om schandelijk over. “Dat wordt alleen maar gedoe.” “Die kinderen hebben een moeilijke achtergrond.” “Waarom zou je dat als man alleen willen?” Alsof ze geen baby’s waren, maar problemen met een gezicht.

Mijn broer Kees sloeg met zijn vlakke hand op mijn keukentafel toen ik het vertelde. “Ben jij nou helemaal gek geworden, Arend? Eén kind is al zwaar. Negen! En dan ook nog meisjes. Wat weet jij nou van vlechten, puberteit, schoolgedoe?”

“Liefde leer je niet uit een boekje,” beet ik hem toe.

Mijn zus Anja was nog harder. “De buurt gaat praten. En eerlijk? Mensen gaan staren. Die kinderen krijgen het zwaar. Jij ook. Doe het niet.”

Maar juist dát bleef in mijn hoofd hameren: mensen gaan staren. Alsof staren een reden was om een kind geen thuis te geven.

Het duurde maanden. Gesprekken, controles, formulieren, wantrouwen. Uiteindelijk werden het niet in één dag negen tegelijk, zoals mensen later altijd romantisch zeggen. Het ging stap voor stap, via pleegzorg, via noodconstructies, via eindeloze trajecten. Eerst kwam Esther, met longen zo krachtig dat de halve straat haar kende voordat ze één tand had. Toen Jamila, die alleen sliep als ze mijn pink vasthield. Daarna Ruth, Soraya, Naomi, Mireille, Daniëlle, Imani en de jongste: Felicia. Negen meisjes. Negen paar ogen. Negen verhalen waarvan niemand wist hoe ze zouden aflopen.

Ons huis in Schiedam werd te klein voordat ik het zelf doorhad. Er stonden stapelbedden in kamers die daar eigenlijk niet voor bedoeld waren. De was hing in de winter boven de verwarming en op regenachtige dagen rook het huis naar natte jassen, suddervlees en Dreft. Ik plakte namen op broodtrommels, leerde staarten maken met onhandige vingers en stond op zaterdag op de markt te onderhandelen over schoenen alsof mijn leven ervan afhing.

“Pap, Naomi pakt mijn trui!”
“Pap, Esther heeft mijn pop verstopt!”
“Pap, waarom kijken mensen altijd zo?”

Vooral die laatste vraag sneed dwars door me heen.

Ik weet nog een middag op de Coolsingel. De meisjes droegen hun mooiste jassen, want we gingen naar de bibliotheek. Een vrouw kneep haar tas dichter tegen zich aan en zei half fluisterend, half hardop: “Zijn ze allemaal van jou?”

Ik antwoordde: “Ja. Gelukkig wel.”

Thuis huilde Soraya in de badkamer. Ze was twaalf. “Waarom wil iedereen altijd weten waar we écht vandaan komen? Alsof hier niet echt is. Alsof jij niet echt bent.”

Ik ging naast de deur zitten, mijn rug tegen de tegels. “Luister naar me,” zei ik. “Wat de wereld ook zegt, jij bent niet minder. Niet vreemd. Niet tijdelijk. Jij bent mijn dochter. Punt.”

Maar liefde maakte niet alles makkelijk. We hadden geldzorgen. Ik draaide extra diensten, sliep te weinig en vergat soms mezelf helemaal. Op school kregen de meisjes opmerkingen. In de jaren tachtig waren mensen niet voorzichtig met woorden. Soms kwamen ze thuis met gebogen schouders en dichtslaande deuren. Soms ook met vuur in hun ogen.

“Ik ga ze laten zien dat ik slimmer ben dan ze denken,” zei Mireille toen een leraar haar naar het vmbo wilde sturen zonder goed te kijken naar haar cijfers.

En dat deed ze. Eén voor één vochten ze zich een weg door vooroordelen, liefdesverdriet, afwijzingen, zwangerschappen, ruzies en dromen. We hebben jaren gehad waarin ik dacht dat ik faalde. Toen Daniëlle op haar zeventiende wegliep. Toen Esther maanden niet met me sprak omdat ik haar eerste vriendje had weggestuurd nadat hij met drank op voor de deur stond. Toen Jamila schreeuwde: “Jij snapt niks van hoe het is om in mijn huid te leven!”

Ze had gelijk. Ik snapte niet alles. Ik was een witte man uit Zuid-Holland die elke dag bijleerde, struikelde, sorry zei en opnieuw begon. Er waren avonden dat ik aan de keukentafel zat met een koude kop koffie en alleen maar dacht: Marijke, help me even. Hoe doe ik dit goed?

Maar telkens gebeurde er iets waardoor ik doorging. Een rapport met hoge cijfers. Een arm om mijn nek. Felicia die op een schoolfeest trots zei: “Dat is mijn vader.” Naomi die verpleegkundige werd. Soraya die rechten studeerde en later juist kinderen ging bijstaan in jeugdzorgzaken. Daniëlle kwam na twee jaar terug, mager, boos, volwassen geworden in de verkeerde zin van het woord. Ze stond in de regen voor de deur.

“Mag ik naar huis?” vroeg ze.

Ik trok haar zonder woorden naar binnen.

Nu zijn we 46 jaar verder. Mijn haren zijn dun, mijn knieën protesteren bij elke trap, en ik woon kleiner sinds de meisjes allang hun eigen levens hebben. Sommigen wonen in Rotterdam, anderen in Utrecht, Den Haag of gewoon weer om de hoek. Ze zijn moeders, oma’s, arts, lerares, ondernemer, maatschappelijk werker. Eén van hen runt een kapsalon. Een ander zit in de gemeenteraad. En elk jaar, op mijn verjaardag in april, komen ze terug.

Dit jaar stond ik in de woonkamer, leunend op mijn stok, toen de voordeur maar bleef opengaan. Gelach, parfum, natte fietsjassen, kleinkinderen die over elkaar struikelden. Aan de muur hing een oude foto van ons uit 1984: ik in een veel te strakke trui, zij allemaal in jurkjes die mijn zus Anja uiteindelijk toch had genaaid nadat ze jaren eerder zei dat ik het niet moest doen.

Toen tikte Jamila met een lepel tegen haar glas. “Pap,” zei ze, en ineens was het stil. “We hebben iets voor je.”

Soraya schoof een map mijn kant op. Geen gewone map, maar dik, zwaar, vol leven. Brieven. Foto’s. Diploma’s. Geboortekaartjes. Op de eerste pagina stond: Voor de man die ons niet redde omdat we zielig waren, maar omdat hij ons zag als zijn dochters.

Ik kon het niet lezen. Mijn ogen liepen vol. Esther ging naast me zitten, nog steeds met die krachtige stem van vroeger, en fluisterde: “Jij dacht altijd dat jij ons een thuis gaf. Maar pap… jij gaf ons ook een naam, een ruggegraat en het lef om te blijven staan.”

Ik brak. Gewoon, midden in mijn woonkamer, tussen kinderlaarzen, appeltaart en 26 kleinkinderen. Ik huilde zoals ik sinds Marijkes begrafenis niet meer had gehuild.

Soms vraag ik me af hoeveel levens verloren gaan doordat volwassenen te bang zijn voor wat anderen ervan vinden. Als ik terugkijk, weet ik één ding zeker: liefde maakt je niet perfect, maar wel moedig genoeg om iemands wereld te veranderen.

Wat zouden jullie hebben gedaan in mijn plaats? En geloof jij dat liefde echt sterker kan zijn dan vooroordelen?