Onder de Hollandse Wolken: Mijn Vlucht uit het Alledaagse
“Zeg nou gewoon wat er is,” zei Mark, met die stem die hij gebruikt als hij doet alsof hij rustig is, maar je voelt dat hij vanbinnen al een hele PowerPoint aan verwijten klaar heeft staan.
Ik stond met m’n handen om een lauwe mok thee heen geklemd. Thee. Alsof dat ook maar iets oplost. Ik hoorde de wasmachine draaien, alsof zelfs die dacht: ja hoor, nog een rondje ellende.
“Ik heb gelogen,” zei ik. En mijn hart ging zó tekeer dat ik even dacht dat de buren het konden horen door de tussenmuur.
Mark knipperde. “Waarover?”
En toen kwam het. Die zin die ik al weken in mijn keel had zitten als zo’n droge bitterbal op Koningsdag.
“Ik ben niet gelukkig. En… ik weet niet meer of ik dit huwelijk nog wil.”
Stilte. Zo’n stilte dat je ineens elk irritant detail hoort: de koelkast die bromt, een scooter buiten, mijn eigen adem die veel te dramatisch klinkt.
Mark lachte kort. Niet grappig-lachen, meer dat paniek-lachen. “Wat bedoel je, je wéét het niet meer? We hebben net die nieuwe bank gekocht. Op afbetaling, hè. En jij gaat nu… even voelen?”
“Ja, sorry dat ik niet netjes gepland heb wanneer ik instort,” flapte ik eruit. Lekker volwassen. Top.
Hij liep naar het raam en keek naar buiten alsof er een bus kwam met antwoorden. “Is er iemand anders?”
“NEE,” zei ik meteen. Te hard. Alsof ik daarmee alles geloofwaardiger maakte. “Het is niet dat. Het is… ik. Ik ben mezelf kwijt. Ik word wakker en ik voel niks. Behalve stress. En schuld.”
Hij draaide zich om. Ogen rood. “Dus ik ben gewoon… een hoofdstuk waar je klaar mee bent?”
Ik wilde zeggen: nee, jij bent niet het probleem. Maar dat was ook niet helemaal waar. Zijn grapjes over ‘jij bent altijd zo gevoelig’ begonnen te prikken. Zijn moeder die alles beter wist. En ik die maar deed alsof het wel ging.
“Ik ga weg,” zei ik, en ik hoorde mezelf praten alsof ik een vreemde was.
“Waarheen dan?”
“Ik weet het niet. Even. Gewoon… even lucht.”
Mark sloeg met z’n hand op de tafel. De mok trilde. “Dit is zó egoïstisch.”
En ja. Dat voelde het ook.
Twee uur later stond ik met een sporttas bij de voordeur. Alsof ik naar yoga-weekend ging, maar dan met een existentiële crisis als cadeaupakket. Ik trok mijn jas aan, zag Mark op de bank zitten, starend naar niks.
“Als je nu wegloopt,” zei hij zacht, “dan weet ik niet of ik je terug kan laten komen.”
Ik slikte. “Ik weet het. Sorry.”
En toen liep ik. Gewoon de straat op. In februari. Natuurlijk regende het. Nederland doet niet aan symboliek zonder water.
Ik belde mijn zus Lotte. Ze nam op met: “Als dit weer over mam gaat, ik zit in de appie.”
“Het gaat over mijn huwelijk,” zei ik.
“Oké, ik pak wijn,” zei ze meteen. “Waar ben je?”
Ik eindigde op haar bank in Utrecht, met natte sokken en mascara die eruitzag alsof ik een slechte auditie had gedaan voor een soap.
Lotte keek me aan en zei: “Oké, vertel. En lieg niet, want ik zie alles. Ik ben je zus.”
Dus ik vertelde alles. Hoe ik me al maanden leeg voelde. Hoe ik steeds deed alsof. Hoe Mark en ik vooral samen functioneerden als een huishoud-app met twee gebruikers. En hoe ik bang was dat dit ‘het’ was: werken, eten, series kijken, ruzie over de vaatwasser, sterven.
“Je klinkt als pap,” zei Lotte ineens.
Ik schoot vol. “Wat bedoel je?”
“Die is ook ooit weggegaan toen het hem te veel werd. En toen kwam hij terug alsof er niks gebeurd was. Mam is er nog steeds niet overheen.”
Bam. Schuldgevoel deluxe.
Alsof het universum dacht: laten we haar nog even extra pakken, ging mijn telefoon. Mam.
Ik nam op met een stem die hoopte op normaal. “Hoi mam.”
“Waar ben jij?” vroeg ze. Niet: hoe gaat het. Niet: ben je oké. Gewoon: waar.
“Bij Lotte.”
“En Mark dan?”
“Ik… ik ben even weg.”
Ze zuchtte zo hard dat ik dacht dat ze haar longen ging uitblazen. “Doe je dit nou ook al? Net als je vader? Denk je dat je zomaar je gezin kan verlaten omdat je even ‘niet lekker in je vel’ zit?”
Ik voelde mijn wangen branden. “Mam, ik ben geen vader. En ik verlaat niemand voor de lol.”
“Je maakt mensen kapot,” zei ze. “En straks kom jij ook weer zielig terug en dan moet iedereen maar begrip hebben.”
Lotte trok een wenkbrauw op alsof ze de telefoon wilde overnemen en er een TED Talk van wilde maken.
“Oké mam,” zei ik zacht. “Dank je.”
Ik hing op. Mijn handen trilden.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik lag op Lotte’s bank, luisterend naar het geluid van de stad en mijn eigen gedachten die te luid waren. Ik dacht aan Mark. Aan zijn gezicht. Aan die nieuwe bank. Aan hoe belachelijk het is dat een bank me schuldiger kan laten voelen dan de helft van mijn familie.
De dagen erna zwierf ik. Echt. Ik ging op de fiets naar de Singel. Ik dronk koffie in zo’n tent waar ze je naam verkeerd spellen en je toch €4,80 betaalt omdat je blijkbaar een volwassen persoon bent. Ik staarde naar mensen in de trein die gewoon… onderweg waren. Met doelen. Met plannen.
En ik voelde me tegelijk vrij en misselijk.
Mark appte: “Kom je praten?”
Ik typte: “Ik weet het niet.”
Hij stuurde terug: “Je laat me in de steek.”
Ik huilde in de HEMA. Bij de handdoeken. Als iemand me zag, dacht die vast dat ik emotioneel werd van ‘2 voor 10’.
Op dag vier ging ik toch naar huis. Niet omdat ik ineens helder was, maar omdat ik mijn eigen spullen miste. Mijn eigen kussen. Mijn eigen douchegel. Dat soort trieste luxe.
Mark deed open. Hij zag er moe uit. Niet boos-moe, maar verslagen-moe.
“Ik heb je gemist,” zei hij. En dat maakte alles erger.
Ik wilde zeggen dat ik hem ook gemist had, maar dat het niet genoeg was. Dat ik mezelf ook miste. Dat ik niet wist hoe ik mij moest vinden zonder alles kapot te maken.
“Kom binnen,” zei hij.
In de woonkamer lag een stapel brieven van zijn moeder. Natuurlijk. Alsof ze het rook, drama. Zijn moeder Jannie had al drie keer gebeld volgens Mark. “Ze vindt dat jij ‘doordraait’. Ze wilde langskomen.”
“Top,” zei ik. “Laat haar ook meteen mijn therapie betalen.”
Mark lachte heel even. En toen keek hij me serieus aan. “Wat wil je nou echt?”
En ik… ik had geen antwoord dat netjes in een zin paste.
“Ik wil niet weglopen,” zei ik uiteindelijk. “Maar ik wil ook niet verdwijnen in dit leven alsof het vanzelfsprekend is. Ik wil… mezelf terug. En ik weet niet of dat met jou kan, of naast jou, of zonder jou.”
Zijn ogen werden vochtig. “Ik ben bang dat je straks weg bent en ik alleen achterblijf met alles wat we gebouwd hebben.”
Ik knikte. “Ik ben bang dat ik blijf en mezelf kwijtraak.”
En daar stonden we. Twee mensen in een rijtjeshuis, met regen tegen de ramen, alsof Nederland ons persoonlijk wilde sounddesignen.
Sindsdien doen we alsof we praten. We praten ook echt, hoor. Maar het voelt alsof we voorzichtig over een brug lopen waarvan we niet weten of ‘ie instort. Ik heb een intake gepland bij een psycholoog. Mark zei: “Ik ga ook mee als je dat wil.” En ik wist niet of ik moest huilen of hem een sticker moest geven.
Maar eerlijk? Soms, als ik in de spiegel kijk, zie ik nog steeds die versie van mij die al weg was voordat ik de deur uit liep.
Kan je ooit echt ontsnappen aan wie je bent… of neem je jezelf gewoon mee, in een andere jas, onder dezelfde grijze wolken?
En als jij dit herkent… wat deed jij toen je voelde dat je leven te klein werd?