Ik bestelde eindelijk die camper, en toen zei mijn beste vriend dat ik hem in de steek liet

“Als jij weggaat, kan ik net zo goed de deur achter me dichttrekken.” Dat zei hij gewoon, midden in ons verenigingszaaltje, tussen de archiefdozen en de koffiekannen van de historische vereniging.

Ik zei: “Doe nou niet zo overdreven. Ik ben niet dood, ik ga met pensioen.”

Maar ik schrok zelf ook van hoe hard ik het zei.

Ik ben 62 en ik ken hem al sinds we begin twintig waren. We zaten ooit samen in een werkgroepje van de lokale historische vereniging, gewoon uit interesse in oude foto’s, boerderijen die verdwenen, dat soort dingen. In de loop der jaren is dat een soort tweede leven geworden. Lezingen regelen, subsidieaanvragen, de nieuwsbrief, contact met het streekarchief, spullen ophalen bij mensen thuis, open dagen in het dorpshuis. Iedereen denkt altijd dat we dat met een heel bestuur doen, maar in de praktijk kwamen de meeste dingen op ons neer. Vooral op mij, als ik eerlijk ben.

Daarnaast werkte ik gewoon fulltime. Altijd gedaan. Eerst in ploegendienst, later facilitair bij een zorginstelling. Altijd doorgaan. Thuis ook van alles opgevangen. En nu kan ik eindelijk iets eerder stoppen. Geen wereldreis met luxe, gewoon met een camper rustig door Europa. Beetje Duitsland, Frankrijk, misschien Slovenië als het bevalt. Geen vergaderingen meer, geen roosters, geen gezeur over wie de sleutel van de vitrinekast heeft. Dat was voor het eerst in jaren een vooruitzicht waar ik echt blij van werd.

Die camper had ik dus besteld.

Niet eens als verrassing, vond ik zelf. Ik had al maanden gezegd dat ik eruit wilde zodra mijn vroegpensioen rond was. Alleen zei hij steeds: “Ja ja, eerst zien dan geloven.” Alsof het een losse kreet was.

Een paar weken geleden vertelde ik in het zaaltje: “Het is rond. In september halen we de camper op.”

Hij werd helemaal stil. En later dus die uitbarsting.

“Je weet toch dat ik dit niet trek?” zei hij. “Als jij weg bent, valt alles weg. De vereniging ook.”

Ik zei: “Dat is niet mijn verantwoordelijkheid alleen. Er zitten nog vijf anderen in het bestuur.”

Toen lachte hij zo kort en zuur. “Kom op zeg. Jij weet ook dat die nog geen ledenavond kunnen regelen zonder drie herinneringsmails van jou.”

Daar had hij geen ongelijk in. Maar toch vond ik het gemeen.

Wat meespeelt, en dat wist ik al een tijdje, is dat het met hem niet goed gaat. Vergeetachtiger, afspraken door elkaar, soms ineens de draad kwijt in een gesprek. Eerst maakte hij er zelf grapjes over. “Begint de ouderdom nou echt.” Maar later kwam zijn zus erbij en toen bleek dat hij in het ziekenhuis bij de geheugenpoli loopt. Beginnende dementie. Nog niet zo ver dat hij niks meer kan, helemaal niet, maar wel genoeg dat structuur voor hem heel belangrijk is. Vaste dagen, vaste mensen, bekende plekken. De vereniging is voor hem niet zomaar een hobby. Het is zijn weekindeling, zijn sociale contact, zijn houvast.

Dat maakt het ook zo lastig, want ik ben niet blind. Ik zie ook wel dat hij aan mij hangt. Niet alleen voor de vereniging, ook praktisch. Ik app hem wanneer de vergadering is. Ik haal hem soms op als fietsen in het donker niet slim is. Ik help met formulieren als hij weer iets van de gemeente niet snapt of een brief van de zorgverzekeraar laat slingeren. Dat is er gewoon langzaam ingeslopen.

Alleen heb ik nooit gezegd dat ik dat niet meer wilde. Ik bleef het doen. Sterker nog, ik denk dat ik het zelf ook in stand heb gehouden omdat ik graag de redder speelde. Dan voelde ik me nodig. En eerlijk is eerlijk: in de vereniging vond ik het ook prettig als alles via mij liep, omdat ik dan zeker wist dat het goed kwam.

Dus toen ik ineens zei dat ik maanden weg wilde, voelde dat voor hem waarschijnlijk als een trap onder zijn stoel vandaan.

Vorige week escaleerde het echt. We hadden bestuursvergadering in de bibliotheek. Ik had voorgesteld om taken te verdelen en om iemand van het Regionaal Archief te vragen of er ondersteuning mogelijk is met digitaliseren en behoud. Gewoon omdat ik niet wil dat alles instort als ik weg ben.

Hij onderbrak me de hele tijd.

“Dit is gewoon jouw afscheidsshow,” zei hij.

Ik zei: “Nee, dit heet dingen fatsoenlijk overdragen.”

Hij: “Jij wilt jezelf geruststellen. Meer niet.”

Toen zei ik iets waar ik nog steeds spijt van heb. “Misschien moet je accepteren dat niet iedereen zijn leven om jou kan blijven organiseren.”

Het werd doodstil. Ook omdat iedereen ineens hoorde wat er eigenlijk speelde.

Hij keek me aan en zei heel zacht: “Dus dit ben ik nu. Een last.”

Daarna begon hij te trillen. Eerst dacht ik dat hij boos was, maar het was een paniekaanval. Hij kreeg geen lucht, greep de tafel vast, helemaal wit. Iemand van de bieb heeft water gehaald en ik ben met hem naar buiten gegaan. Op het bankje zei hij: “Als jij weggaat, weet ik niet meer hoe mijn weken eruitzien. Dan zit ik alleen thuis.”

Ik zei: “Je hebt toch je zus, de dagactiviteiten waarover gesproken is, en mensen van de vereniging?”

Hij werd daar alleen maar bozer van. “Jij praat alsof ik al half afgeschreven ben.”

En daar raakte hij iets. Want misschien deed ik dat ook wel. Vanuit regelen en oplossen. Alsof ik hem kon onderbrengen in een schema.

Maar andersom doet hij ook alsof ik nog twintig jaar moet blijven opdraven omdat we al veertig jaar bevriend zijn.

Sindsdien appen we wel, maar stroef. Zijn zus heeft me gebeld. Niet boos, eerder moe. Ze zei: “Ik snap dat jij ook je leven hebt. Maar je bent voor hem wel de spil geworden, of je dat nou eerlijk vindt of niet.” Ze vroeg of ik die reis niet een jaar kon uitstellen.

Mijn partner zei juist: “Als je nu uitstelt, ga je nooit. Dan verschuift de grens steeds op.” En daar ben ik bang voor. Want er is altijd wel iets. De vereniging, zijn gezondheid, een nieuw probleem met zijn administratie, iemand die stopt in het bestuur.

Intussen is die camper gewoon besteld. Aanbetaling gedaan. Ik ben er nog steeds blij mee als ik ernaar kijk, en tegelijk voel ik me misselijk. Alsof ik kies tussen ademhalen voor mezelf en loyaliteit aan iemand die er ook niet om gevraagd heeft dat hij ziek wordt.

Ik wil hem niet laten vallen. Maar ik wil ook niet de rest van mijn fitte jaren inleveren omdat ik ongemerkt iemands complete vangnet ben geworden.

Misschien had ik veel eerder duidelijker moeten zijn. Misschien had hij eerder meer hulp moeten accepteren van anderen. Waarschijnlijk allebei.

Ik zit nu dus echt met de vraag: ben ik egoïstisch als ik gewoon ga, of is het juist ongezond dat één vriendschap zo zwaar is geworden? Wat zouden jullie doen?