Mijn man weigerde mee op reis te gaan als mijn vriendin zonder haar man mee zou komen, en ineens stond onze hele vriendschap van dertig jaar op losse schroeven
“Dan ga ik niet mee. Regel het maar zonder mij.” Mijn man Henk schoof zijn leesbril van zijn neus en keek niet eens meer mijn kant op. Ik stond met de waterkoker in mijn hand en voelde ineens dat rare trillen in mijn armen dat ik krijg als ik heel boos ben maar niet wil gaan schreeuwen. Op tafel lag de app van onze vriendengroep nog open: de huisjes in de Ardennen, wie welke kamer wilde, wie de boodschappen zou doen onderweg. En daartussen dat ene bericht van Marijke: Als het goed is, ga ik deze keer alleen mee. Kees slaat over.
Alleen mee. Twee woorden, en ineens zat ik tegenover mijn eigen man alsof ik hem niet helemaal meer kende.
We zijn al meer dan dertig jaar bevriend met Marijke en Kees. Ooit begonnen op de camping in Zeeland, toen onze kinderen nog klein waren en met emmertjes naar de wc-gebouwtjes liepen. Daarna werden het vaste weekends weg, fietsen op de Veluwe, wandelen in Limburg, een keer een week Texel, later zonder kinderen. Het was nooit ingewikkeld. We waren gewoon met z’n vieren, en later met nog twee andere stellen erbij. Bekende grapjes, vaste wijn, Henk die altijd de barbecue deed, Kees die overal te vroeg klaar voor zat.
Sinds Kees met pensioen is, is er iets veranderd. Niet in รฉรฉn klap, meer sluipend. Eerst zei hij vaker af. “Ik trek die drukte niet meer zo,” zei hij dan. Of: “Ik ben de hele week al moe genoeg.” Hij heeft geen ernstige ziekte of zo, maar wel gedoe met zijn hart, slechte nachten, spanning. De huisarts had gezegd dat hij meer rust moest nemen. Dat snapte iedereen.
Alleen Marijke niet helemaal, denk ik. Of misschien wilde ze het gewoon niet accepteren als haar nieuwe leven. Zij belde me een paar maanden geleden. “Anja, ik word gek van dat thuiszitten. Ik wil gewoon af en toe mee. Ook als Kees niet wil. Is dat raar?”
Ik zei meteen: “Nee joh, natuurlijk niet. Jij bent toch niet opgehouden onze vriendin te zijn omdat Kees liever thuisblijft?”
Voor mij voelde dat logisch. Maar voor Henk dus totaal niet.
“Het is geen vrouwenclubje,” zei hij die avond. “We zijn met stellen bevriend. Dat is altijd zo geweest. Als Kees afhaakt, verandert de hele dynamiek. Dan moet jij steeds naast haar zitten, dan voel ik me de boeman, dan gaat iedereen rekening houden met iets wat scheef is. Ik heb daar geen zin in op vakantie.”
Ik zei: “Scheef? Marijke is toch geen probleemgeval? Het is gewoon Marijke.”
“Dat zeg ik niet. Maar het wordt anders. En daar mag ik toch wat van vinden?”
Daar had hij op zich gelijk in, maar ik hoorde vooral wat eronder zat: doe maar gewoon niet. Laat haar thuis omdat haar man thuisblijft.
De eerste keren nodigde ik haar toch uit voor een etentje en een wandeling. Henk bleef beleefd, maar afstandelijk. In de auto naar huis zei hij dan dingen als: “Zie je wel, de hele avond ging over Kees.” Of: “Ik vind het ongemakkelijk, zij wil gezellig doen maar je voelt aan alles dat er iets niet klopt.” Ik vond juist dat Marijke haar best deed om het luchtig te houden. Natuurlijk kwam Kees ter sprake. Ze zijn al veertig jaar getrouwd, dat poets je niet even weg voor de sfeer.
De spanning liep echt op toen de groepsreis voor september ter sprake kwam. Een groot huis gehuurd, al maanden geleden. Iedereen was enthousiast. Marijke appte dat ze graag mee wilde, juist omdat ze er zo aan toe was er even uit te zijn. Nog voor ik kon reageren, zei Henk: “Als zij meegaat, ga ik niet.”
Ik dacht eerst dat hij dreigde om zijn punt te maken. Maar hij meende het echt.
“Je zet me voor het blok,” zei ik.
“Nee,” zei hij. “Jij zet mij voor het blok door te doen alsof ik me maar moet aanpassen. Ik wil een rustige vakantie, zonder onderhuidse spanning. We hebben thuis al genoeg gedoe hierover.”
Dat laatste raakte me misschien nog wel het meest. Alsof niet Marijke, maar ik degene was die onze rust verstoorde.
Een week hebben we er nauwelijks over gesproken. Alleen praktisch: wie haalt brood, moet de container aan de straat. Juist dat gewone maakte het pijnlijk. Alsof je naast elkaar leeft en allebei denkt: zeg jij het maar.
Toen ben ik koffie gaan drinken met Marijke in het tuincentrum in Woerden. Gewoon tussen de geraniums en de appelgebak. Zij zag meteen dat ik slecht geslapen had.
“Henk wil niet als ik meega,” zei ze, nog voor ik iets kon inleiden.
Ik knikte.
Ze roerde in haar koffie en zei na een tijdje: “Weet je wat het is? Ik neem hem ook niks kwalijk. Misschien zou Kees precies zo reageren. Mannen van die leeftijd willen rust en voorspelbaarheid. Maar ik vind het wel verdrietig dat ik blijkbaar alleen welkom ben als onderdeel van een setje. Alsof ik los niet genoeg ben.”
Daar schoot ik vol. Niet alleen om haar woorden, maar ook omdat ik ineens zag dat Henk zich รณรณk iets afgenomen voelde. Niet zijn vriendin, maar zijn vertrouwde plek in die groep. De vanzelfsprekendheid van hoe het altijd was.
Die avond heb ik voor het eerst niet geprobeerd hem te overtuigen. Ik zei alleen: “Volgens mij ben jij niet bang voor Marijke. Jij bent bang dat alles anders wordt, en dat je daar geen invloed op hebt.”
Hij bleef lang stil. Toen zei hij: “Misschien. En ik vind ook dat jij meteen partij kiest. Alsof mijn ongemak minder belangrijk is omdat het niet sympathiek klinkt.”
Dat kwam binnen, omdat er waarheid in zat. Ik had hem in mijn hoofd al stug en kleinzielig gemaakt, terwijl hij zich waarschijnlijk vooral overvraagd voelde.
We zijn uiteindelijk niet met z’n allen gegaan zoals gepland. Henk en ik hebben besloten die grote reis over te slaan. De rest van de groep is wel gegaan, inclusief Marijke. Ik vond dat moeilijk en ook oneerlijk, maar ergens gaf het rust dat we geen strijd op locatie zouden hebben. Marijke en ik zijn bevriend gebleven. Minder vanzelfsprekend dan vroeger, maar misschien juist echter. Henk vindt haar nog steeds aardig, alleen niet in de vorm die ik graag had gewild.
Laatst zei hij, toen we samen langs de Vecht fietsten: “Ik snap nu wel beter waarom jij haar niet wilde laten vallen.” En ik zei: “En ik snap beter dat jij niet overal soepel in kunt zijn alleen omdat ik dat redelijk vind.”
Het is niet netjes opgelost en er is niemand echt winnaar geworden. Ik heb geleerd dat loyaliteit aan een partner en loyaliteit aan een vriend soms allebei oprecht zijn, en toch botsen ze hard. Wat zouden jullie in mijn plaats hebben gedaan: je man volgen voor de rust thuis, of je vriendin blijven uitnodigen omdat vriendschap ook op zichzelf mag bestaan?