‘Je laat een vriend van dertig jaar toch niet vallen?’ Mijn man en ik kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan toen onze maandelijkse etentjes niet meer gezellig, maar pijnlijk werden

‘Dit slaat echt nergens op, Els, je overdrijft,’ zei mijn man terwijl hij de vaatwasser te hard dichtduwde. Ik stond nog met de lege ovenschotel in mijn handen en voelde dat bekende mengsel van schaamte en woede in mijn keel branden. Beneden in de hal hing de geur van rode wijn en stoofvlees nog, maar de gezelligheid was al uren weg. Kees had die avond drie keer gevraagd waar Hanneke bleef, terwijl ze gewoon naast hem zat. En toen Tom iets vertelde over zijn kleindochter, riep Kees ineens: ‘Dat verhaal heb je vorige maand ook al saai verteld.’ Iedereen lachte ongemakkelijk. Ik zag Hanneke kleiner worden op haar stoel. En ik was de hele avond bezig geweest met sussen, afleiden, glazen weghalen, het gesprek redden. Mijn man noemde dat vriendschap. Ik noemde het overleven.

Wij hebben al meer dan dertig jaar een vast clubje: zes stellen, ooit begonnen toen onze kinderen nog op de basisschool zaten. Elke maand bij iemand thuis, uitgebreid koken, goede wijn, koffie na, soms tot na middernacht kletsen. Altijd dezelfde grapjes, dezelfde discussies over politiek, vakanties, de huizenmarkt, de kinderen die inmiddels allang volwassen zijn. Het was iets heiligs geworden. Een anker.

Kees en Hanneke hoorden daar altijd vanzelfsprekend bij. Kees was vroeger de gangmaker. Hard lachen, sterke verhalen, een tikje dominant soms, maar warm. De laatste anderhalf jaar veranderde er iets. Eerst kleine dingen. Namen kwijt. Halverwege een zin stilvallen. Een rekening dubbel betalen. Hanneke maakte er luchtige opmerkingen over. ‘Ach, leeftijd, hè.’ Maar tijdens de etentjes werd het lastiger. Hij onderbrak mensen, werd bits, maakte flauwe of ongepaste opmerkingen. Eén keer vroeg hij aan Marjan of ze ‘nou nóg dikker was geworden sinds kerst’. Je zag iedereen schrikken. Kees zelf leek het amper door te hebben.

Na afloop zei mijn man, Paul: ‘Hij kan er ook niks aan doen.’
Ik zei: ‘Dat weet ik ook wel. Maar ik kan toch óók niet doen alsof dit voor iedereen nog leuk is?’
‘Dus wat wil je dan? Hem niet meer uitnodigen?’
‘Nee, ik wil dat we eerlijk zijn over wat dit met de groep doet.’

Die eerlijkheid kwam sneller dan ik dacht. Een week later zaten we met Jan en Marjan op een terras in Amersfoort. Marjan roerde in haar cappuccino en zei voorzichtig: ‘Mag ik iets ongemakkelijks zeggen? Ik zie op tegen die avonden. Niet om Kees zelf, maar om… de spanning.’
Jan knikte. ‘Je bent de hele tijd alert. Wat zegt hij, wat doet hij, hoe reageert Hanneke.’
Ik voelde opluchting en schuld tegelijk. Alsof ik iets verraadde door te denken: gelukkig, ik ben niet de enige.

Thuis vertelde ik het aan Paul. Hij werd meteen fel. ‘Makkelijk hoor, zodra het lastig wordt haakt iedereen af.’
‘Afhaken? Zo is het niet.’
‘Wel. Als jij ziek wordt, mogen mensen jou zeker ook alleen nog in een “kleine setting” zien?’
Dat kwam hard binnen. Ik zei even niks. Daarna alleen: ‘Ik ben je vrouw, Paul. Geen maatschappelijk werker voor de hele vriendengroep.’

Dat was misschien gemeen, maar het was wel waar zoals het op dat moment voelde. Ik ben 68. Ik pas één dag per week op onze kleinzoon, ik help mijn zus na haar heupoperatie, en die ene avond met vrienden was voor mij altijd ontspanning. De laatste maanden liep ik vooraf al lijstjes in mijn hoofd af: geen scherpe messen op tafel, opletten met wijn bij Kees, Hanneke op haar gemak stellen, gespreksonderwerpen sturen. Ik sliep er slecht van.

Uiteindelijk heb ik Hanneke gebeld. Met lood in mijn schoenen. Ik verwachtte dat ze boos zou worden. Maar toen ik voorzichtig zei: ‘Hoe gaat het nou echt?’, bleef het lang stil. Daarna begon ze te huilen.
‘Ik zie het ook wel, Els,’ zei ze. ‘Ik ben de hele tijd bang wat hij zegt. En als ik er iets van zeg, wordt hij kwaad of gekwetst. Ik ben ook moe.’

Dat gesprek heeft alles veranderd. Niet opgelost, maar wel veranderd. Hanneke vertelde dat ze bij de geheugenpoli liepen, dat er onderzoeken waren, dat ze nog nergens een definitieve naam op wilden plakken maar dat het niet goed zat. Ze zei ook iets wat me bijbleef: ‘Ik wil niet dat mensen hem gaan vermijden. Maar ik kan ook niet meer doen alsof het gezellig is zoals vroeger.’

Een paar dagen later zijn Paul en ik samen bij hen op de koffie gegaan. Gewoon overdag, appeltaart van de HEMA mee. Kees was wisselend helder. Het ene moment vertelde hij levendig over hun vakantie van jaren terug in Zeeland, het volgende moment vroeg hij aan Paul of die nog steeds bij de gemeente werkte, terwijl Paul al tien jaar met pensioen is. Toen Kees even naar het toilet was, zei Hanneke zacht: ‘Die avonden zijn voor hem eigenlijk ook te veel. Te druk, te lang, te veel prikkels.’

Paul keek toen voor het eerst anders. Minder strijdlustig, meer verdrietig. Op de terugweg in de auto zei hij: ‘Misschien heb ik loyaliteit verward met vasthouden aan hoe het was.’
Ik moest daar zelf ook over nadenken. Want als ik eerlijk ben, wilde ík ook vooral mijn oude fijne avonden terug. Alsof niemand ouder werd, zieker werd, veranderde.

We hebben het daarna in de groep besproken. Niet in een grote dramatische vergadering, maar via een paar telefoontjes en later bij ons aan de keukentafel met koffie en gevulde koek. We hebben besloten de maandelijkse diners voorlopig anders te doen: kleiner, korter, soms lunch in plaats van avond, en niet altijd met iedereen tegelijk. Kees en Hanneke blijven erbij, maar niet meer in een setting die voor hen en voor ons allemaal te zwaar is. Eén stel haakt soms af, een ander komt juist apart een keer langs. Het is rommeliger dan vroeger. Minder vanzelfsprekend. Maar ook eerlijker.

Is het nog zoals dertig jaar geleden? Nee. Soms mis ik dat zó erg dat het pijn doet. En toch denk ik nu dat vriendschap niet betekent dat je alles maar moet verdragen alsof niemand grenzen mag hebben. Misschien betekent het juist dat je samen durft toe te geven dat het anders is geworden, en dat je dan zoekt naar een vorm waarin waardigheid voor iedereen blijft.

Ik heb geleerd dat trouw niet hetzelfde is als jezelf wegcijferen. Maar ik vraag me nog steeds af: waar ligt volgens jullie de grens tussen loyaal blijven aan een vriend en je eigen rust bewaken?