‘Ik ga niet mee’: na dertig jaar vaste vriendenavonden trok ik eindelijk een grens, en mijn man kon dat bijna niet verdragen

‘Doe nou niet zo moeilijk, Ans. We doen dit al jaren zo.’

Ik stond met mijn jas nog aan in de gang, mijn fietssleutels in mijn hand geklemd, en ik voelde me ineens weer dat brave meisje van vroeger dat altijd glimlachte en meeging. Alleen was ik nu 62 en doodmoe van mezelf. Kees zat al aan de eettafel met zijn leesbril op, de app van onze vriendengroep open op zijn telefoon. Hij hoefde me niet eens aan te kijken om me klein te laten voelen.

‘Ik dóé niet moeilijk,’ zei ik. ‘Ik zeg gewoon dat ik niet drie weken met z’n achten in een huisje in de Dordogne wil zitten.’

Hij blies hoorbaar uit. ‘Het is niet zomaar een vakantie. Het is met ónze mensen.’

Dat zinnetje, onze mensen, bleef hangen. Alsof ik daar na 34 jaar huwelijk nog steeds in mee moest ademen.

We hebben al sinds de jaren negentig dezelfde vriendengroep. Eerst via de kinderen op school, later bleef het plakken. Elke eerste zaterdag van de maand eten, kaarten, wandelen, barbecueën, nieuwjaarsduik kijken maar zelf niet doen, dat soort vaste prik. In het begin vond ik het gezellig. Het was makkelijk ook. Geen gedoe, altijd aanspraak. Kees leefde ervan op, zeker toen hij vier jaar geleden met pensioen ging. Hij had zijn werk bij de gemeente altijd nodig gehad voor ritme en mensen om zich heen. Die groep ving dat op. Ik zag dat ook wel.

Maar bij mij gebeurde het tegenovergestelde. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik tegen die vaste rituelen aan ging hikken. Altijd dezelfde gesprekken over kleinkinderen, heupen, elektrische fietsen, huizenprijzen van de kinderen. Altijd rekening houden met wie glutenvrij eet en wie niet te laat naar huis wil rijden. En vooral: altijd gaan, omdat het nou eenmaal zo hoort.

Sinds een jaar schilder ik op dinsdagmiddag in het buurthuis in Amersfoort. Niet bijzonder hoor, gewoon acryl, veel geknoei. Maar ik kom er lichter vandaan dan van een heel weekend met de groep. Ook ben ik soms expres een ochtend alleen naar het bos bij Soest gegaan, telefoon uit. Dat voelde bijna stiekem.

Kees snapte daar weinig van. ‘Je hebt toch al genoeg rust? We zien al zo weinig mensen sinds de kinderen uit huis zijn.’

‘Ik zie juist genoeg mensen,’ zei ik dan. ‘Alleen niet altijd de mensen die jij bedoelt.’

Hij vond dat een rotopmerking.

De vakantie was de druppel. In de groepsapp was er wekenlang over gepraat. Jan en Marijke hadden iets gevonden: een groot huis in Frankrijk met zwembad. ‘Nu het nog kan, jongens!’ schreef iemand erbij, met zo’n lachende emoji. Kosten: ruim tweeduizend euro per stel, exclusief heen en weer rijden en uit eten. Ik kreeg al benauwdheid van het idee. Niet eens alleen door het geld, al vind ik het veel. Vooral door het vooruitzicht dat ik drie weken geen moment voor mezelf zou hebben zonder dat iemand vroeg: ‘Gaat het wel, Ans?’

Die avond zei ik dus eindelijk duidelijk: ‘Boek mij niet in. Ik ga niet mee. Als jij wilt gaan, moeten we daar apart over praten, maar ik ga niet.’

Kees keek me toen pas echt aan. Gekwetst, maar ook boos. ‘Dus ik moet in die app gaan zetten dat mijn vrouw geen zin heeft in haar eigen vrienden?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Je moet eerlijk zeggen dat ik niet mee wil. Dat is iets anders.’

Hij lachte kort, zonder plezier. ‘Dat komt op hetzelfde neer.’

De dagen erna werd het stil in huis op een nare manier. Geen knallende ruzie, maar van die kleine steken. Hij vroeg of ik ook “geen zin” had in Henk en Laura’s etentje volgende week. Ik zei dat ik dat nog niet wist. Toen zei hij: ‘Vroeger was jij niet zo.’

Dat deed pijn, juist omdat het waar was. Vroeger was ik niet zo. Vroeger plooide ik mee, regelde ik de salades, kocht ik cadeaus namens ons beiden, onthield ik verjaardagen, en zei ik in de auto terug altijd dat het gezellig was, ook als ik uitgeput was. Ik had mezelf aangepraat dat dit volwassen was, loyaal, sociaal. Misschien was het vooral makkelijk voor anderen.

Een week later zaten we bij onze dochter Sanne aan de keukentafel. Zij schonk thee in en zei heel nuchter: ‘Pap, jij doet alsof mam de hele vriendengroep afwijst, maar ze wil alleen niet overal meer automatisch in mee.’

Kees trok zijn schouders op. ‘Zo werkt het alleen niet. Als je steeds afhaakt, verwatert het.’

‘Maar als mam altijd meegaat terwijl ze het niet wil, verwatert zij zelf,’ zei Sanne.

Het was even stil. Ik had haar nog nooit zo horen praten over mij, alsof ik ook iemand was om rekening mee te houden. Dat klinkt misschien triest, maar zo voelde het wel.

Die zondag heeft Kees uiteindelijk zelf in de app gezet: ‘Ans slaat deze vakantie over. Ik twijfel nog of ik ga.’ Geen uitgebreide uitleg. Gewoon dat. Er kwamen aardige reacties terug. Dat verbaasde hem zichtbaar. Marijke appte mij apart: ‘Jammer, maar snap het hoor. Drie weken is ook veel. Zullen we binnenkort gewoon met z’n tweeën koffie doen?’

Ik heb daar harder om gehuild dan om de ruzie met Kees. Omdat ik me realiseerde dat ik al die tijd bang was geweest voor afwijzing die misschien vooral in mijn eigen hoofd zat.

Kees is uiteindelijk niet meegegaan. Niet alleen door mij, denk ik. Ook omdat hij het toch niet prettig vond om zonder ons als stel te gaan. Daar voelde ik me schuldig over, nog steeds een beetje. We gaan nog wel naar sommige avonden, maar niet meer vanzelfsprekend allemaal. Soms gaat hij alleen. De eerste keer vond hij dat ongemakkelijk. Nu zegt hij soms bij thuiskomst: ‘Was leuk, maar ook genoeg zo.’

En ik? Ik ben nog steeds aan het leren dat nee zeggen niet hetzelfde is als mensen wegduwen. Dat je op onze leeftijd niet te oud bent om opnieuw uit te zoeken wie je bent buiten de gewoontes van anderen. Hebben jullie ooit pas laat in je leven een grens gesteld waar anderen aan moesten wennen? En hoe hield je dat vol zonder jezelf of de ander kwijt te raken?