Ik zei tegen mijn man dat ik niet nog een zomer wilde opofferen aan zijn vriend, en toen keek hij me aan alsof ík degene was die iemand liet vallen
‘Dat meen je niet, Henk.’ Ik stond met mijn telefoon nog in mijn hand in de keuken, naast een halfvolle boodschappentas van de Albert Heijn, en voelde mijn gezicht warm worden. ‘Je hebt gewoon het huisje in Zeeland omgezet naar een midweek, omdat jij op vrijdag weer naar Kees wilt?’ Henk haalde zijn schouders op, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Kees zit er helemaal doorheen. Dan ga ik toch niet twee weken weg alsof er niks aan de hand is?’ Ik weet nog dat ik naar het aanrecht keek, naar de aardbeien die ik nog moest wassen, en ineens dacht: ik trek dit niet meer.
Wij kennen Kees en Marianne al sinds begin jaren tachtig. Kinderen waren klein, we kampeerden samen in Drenthe, deden spelletjes, later etentjes, verjaardagen, oud en nieuw. Gewoon zo’n vriendschap waarvan je denkt dat die altijd blijft. Tot vorig jaar. Kees en Marianne gingen na 38 jaar uit elkaar. Geen knallende affaire of iets spectaculairs, gewoon jarenlang langs elkaar heen geleefd, zei Marianne. Ik schrok ervan, maar begreep het ergens ook wel. Sindsdien woont Kees alleen in een flat in Amersfoort. Marianne is naar een appartement in Leusden gegaan.
In het begin vonden Henk en ik het vanzelfsprekend om er voor hem te zijn. We namen stamppot mee, hielpen met een kast verplaatsen, dronken koffie. Maar al snel werd het elke week. Daarna meerdere keren per week bellen. Dan had Kees ‘een slechte dag’. Dan at hij niet. Dan had hij de post niet open gemaakt. Dan moest Henk mee naar de huisarts, mee naar de fietsenmaker, mee om een nieuwe lamp op te hangen. En iedere keer als ik zei: ‘Misschien moet hij echt meer hulp inschakelen,’ zei Henk: ‘Dat doet hij ook, maar je laat een vriend toch niet barsten?’
Begrijp me goed: ik vind Kees niet lastig omdat hij ziek is. Ik zie ook heus dat hij somber is. Hij zit in een donker huis met de gordijnen half dicht, de afwas op het aanrecht, de tv aan zonder dat hij kijkt. Als ik er ben, zegt hij vaak: ‘Sorry hoor, ik ben vandaag niet zo gezellig.’ En dan zegt Henk meteen: ‘Jongen, je hoeft je niet te verontschuldigen.’ Dat breekt mijn hart ook. Maar wat er langzaam gebeurde, was dat ons leven om hem heen ging draaien.
Als wij een keer naar vrienden in Zwolle wilden, zei Henk: ‘Laten we zondag terug zijn, dan kan ik maandag even bij Kees langs.’ Als er kaarten voor een cabaretvoorstelling lagen, kwam de vraag: ‘Vind je het erg als ik toch eerst even bij Kees ga? Hij had een rotdag.’ Onze dinsdagse wandeling, onze spontane terrassen, zelfs gewoon een middag niks; alles werd iets wat mogelijk nog moest wijken.
Ik heb het echt netjes geprobeerd te zeggen. ‘Henk, ik mis óns leven een beetje.’ Of: ‘We zijn 64, we hoeven niet meer altijd klaar te staan alsof we de crisisdienst zijn.’ Dan werd hij stil. Vorige maand zei hij uiteindelijk: ‘Jij ziet niet hoe slecht het met hem gaat.’ Ik zei: ‘En jij ziet niet hoe moe ik hiervan word.’ Dat was voor het eerst in jaren dat we zo tegenover elkaar stonden.
Twee weken geleden zaten we bij Kees. Hij had nauwelijks gedoucht, dat rook je gewoon. Henk was de vuilniszakken aan het verzamelen en ik zette thee. Kees keek naar zijn handen en zei: ‘Als jullie er niet waren, weet ik niet wat ik dan moest.’ Het bleef even stil. Henk kneep in zijn schouder. Ik voelde op dat moment geen ontroering meer, maar paniek. Omdat ik dacht: zie je wel, dit is precies het probleem. Niet uit wreedheid, maar omdat wij blijkbaar iets zijn geworden wat we niet kunnen blijven dragen.
In de auto terug zei ik: ‘Dit gaat zo niet langer.’ Henk werd boos. ‘Wat had ik moeten zeggen dan? Zoek het uit?’ Ik zei: ‘Nee. Maar wel: Kees, we blijven je vriend, maar je moet met je huisarts, je psycholoog, misschien de praktijkondersteuner, misschien een maatjesproject. Niet alleen maar op ons leunen.’ Henk tikte hard op het stuur. ‘Makkelijk praten als jij niet degene bent die hem al veertig jaar kent.’ Ik zei niets meer, omdat dat zo oneerlijk was. Alsof ik er de helft van die jaren niet naast heb gestaan.
En toen kwam dat huisje in Zeeland. Eindelijk samen eruit, na een jaar waarin alles zwaar voelde. Ik verheugde me op fietsen, kibbeling halen in Zoutelande, een boek lezen zonder telefoon. Tot Henk gisteren zei: ‘Ik heb het aangepast. Gewoon wat korter. Dan kan ik zaterdag weer naar Kees.’ Alsof hij een oppasprobleem oploste.
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Dan ga ik niet mee naar Kees voorlopig. En als jij dit zo doorzet, ga ik misschien ook niet mee op die vakantie.’ Henk keek me aan alsof ik hem verraadde. ‘Dus je laat me hiermee alleen?’ Ik zei: ‘Nee, ik trek eindelijk een grens. Eén keer per maand samen langsgaan, prima. Bellen, prima. Maar niet meer ons hele leven inrichten op zijn instorting.’
Sindsdien is het stroef in huis. We doen beleefd, maar koud. Vanmorgen vroeg Henk zachtjes: ‘En als hij echt iets doet?’ Die zin bleef bij me hangen. Want daar zit natuurlijk mijn twijfel. Wat als mijn grens precies op het verkeerde moment komt? Maar ik blijf ook denken: als wij uit angst alles blijven opvangen, houden we misschien iets in stand wat hem juist kleiner maakt.
Ik ben niet trots op hoe hard ik klonk. En ik weet dat Henk niet alleen koppig is, maar ook trouw, misschien wel bewonderenswaardig trouw. Toch geloof ik dat loyaliteit ook mag betekenen dat je iemand richting echte hulp duwt, in plaats van jezelf langzaam op te offeren. Misschien is ouder worden ook leren dat medeleven en begrenzen tegelijk kunnen bestaan.
Ik vraag me oprecht af: ben ik nu te hard, of zouden jullie ook zeggen dat er een grens is aan wat je als vriend moet blijven dragen?