‘Kies dan maar’: na veertig jaar vriendschap moest ik tijdens ons vriendenweekend beslissen tussen Geert en de rest

‘Doe die schaal maar weg, Henk. Ik ga hier niet gezellig zitten vreten alsof alles normaal is.’

Het was vrijdagavond in het huisje bij Eersel, ons jaarlijkse vriendenweekend, en ik stond met een schaal bitterballen in mijn handen alsof ik de ober was op mijn eigen executie. Iedereen viel stil. Alleen de afzuigkap zoemde en buiten tikte de regen tegen het raam. Geert zat met zijn armen over elkaar aan de kop van de tafel. Rood hoofd, kaken strak. Ik kende hem al sinds 5 havo, maar de laatste maanden herkende ik hem steeds minder.

‘Jezus Geert, daar gaan we weer,’ zei Frank zacht, maar wel hard genoeg.

Geert keek hem meteen aan. ‘Ja, daar gaan we weer. Omdat jullie elke keer wegkijken.’

Dat was het moment waarop ik voelde: vanavond gaat er iets kapot.

Wij zijn met z’n achten, allemaal uit hetzelfde dorp onder Eindhoven. Vroeger voetbal, later gezinnen, verbouwingen, mantelzorg, pensioenplannen. Elke donderdag koffie bij Van Oers, één keer per jaar een weekend weg. Geert en ik waren altijd de spil. Als er gedoe was, trokken wij het recht. Zo was het gewoon.

Tot Geert met pensioen ging. Hij stortte zich volledig op een actiegroep voor klimaatgerechtigheid in de regio. Demonstraties, inspreken bij de gemeenteraad, stukken op Facebook, ingezonden brieven in het Eindhovens Dagblad. Op zich prima, dacht ik eerst. Geert is slim, betrokken, altijd principieel geweest. Maar het werd feller. Vooral richting de lokale fabrieken en transportbedrijven. En laat daar nou net onze vrienden, hun kinderen of oud-collega’s werken.

‘Jullie verdienen aan de rotzooi en daarna willen jullie wel gewoon bier drinken,’ zei hij een paar weken eerder al op een terras in Oirschot.

‘Hou toch op man,’ had Ad geantwoord. ‘Alsof wij persoonlijk de planeet slopen.’

Ik had toen nog geprobeerd te sussen. ‘Geert bedoelt het groter. Systemisch, weet je wel.’

Geert keek me toen al geïrriteerd aan. Alsof ik hem kleiner maakte door hem uit te leggen.

In het begin vond ik vooral zijn toon lastig. Ik ben niet tegen wat hij zegt. Ik rijd ook minder auto, wij hebben zonnepanelen, ik eet echt minder vlees dan vroeger. Maar Geert ging van overtuigen naar eisen. Hij wilde dat we als groep een verklaring zouden ondertekenen tegen uitbreiding van een fabriek aan de rand van het dorp. Hij vond dat we niet meer konden barbecueën met wegwerpzooi, niet meer konden vliegen, niet meer ‘doen alsof gezelligheid neutraal is’.

Dat laatste zinnetje bleef hangen. Alsof onze donderdagmiddag ineens moreel verdacht was.

In dat huisje liep het snel uit de hand. Frank had net een kratje op tafel gezet en riep nog: ‘Nou mannen, op het weekend.’ Niemand proostte.

Geert zei: ‘Ik meen dit serieus. Als jullie zwijgen, zijn jullie medeplichtig. En ik ga niet meer meedoen aan die schijngezelligheid.’

‘Dus wat wil je nou?’ vroeg ik.

Hij draaide zich naar mij. ‘Dat jij je uitspreekt, Henk. Jij vooral. Als jij blijft sussen, verandert er nooit iets.’

Dat kwam binnen. Misschien juist omdat hij gelijk had over dat sussen. Ik hou van rust. Van vaste patronen. Van dat niemand de deur dichtslaat. Mijn vrouw zegt al jaren: ‘Jij smeert overal boter tussen.’ Meestal is dat handig. Nu voelde het laf.

Ad stond op en trok een biertje open. ‘Ik laat me op mijn leeftijd niet de maat nemen door iemand die net wakker is geworden en nu denkt dat hij de waarheid in pacht heeft.’

‘Zie je?’ zei Geert. ‘Dit bedoel ik. Defensief, meteen.’

‘Nee,’ zei ik toen, harder dan ik zelf verwacht had. ‘Wat jij doet is ook niet eerlijk.’

Iedereen keek naar mij.

Ik zette die schaal eindelijk neer. Mijn handen trilden een beetje. ‘Je hebt het recht om boos te zijn. Je hebt ook gelijk in een hoop dingen. Maar je kunt niet van ons eisen dat we allemaal op jouw manier vriend zijn, burger zijn, mens zijn. Je zet ons klem.’

Geert lachte kort, zonder plezier. ‘Klem? Henk, de wereld staat klem.’

‘Ja,’ zei ik, ‘maar ik ben jouw vriend, niet jouw project.’

Het bleef een paar seconden doodstil. Ik zag hem echt geraakt kijken. Dat vond ik nog het ergst.

Die nacht heb ik bijna niet geslapen. Ik hoorde beneden nog lang stemmen, een deur, iemand die buiten stond te roken in de regen terwijl we dat al jaren niet meer doen. Ik lag wakker en dacht aan vroeger. Aan ons samen in een oude Renault naar PSV. Aan de avond dat mijn vader overleed en Geert als eerste op de stoep stond met een thermoskan koffie omdat hij wist dat ik niks door mijn keel kreeg. Aan hoe vanzelfsprekend sommige vriendschappen voelen, tot er iets tussen komt wat groter is dan gewoon gelijk willen hebben.

De volgende ochtend zat Geert alleen op het terras, in zijn jas, kop zwarte koffie erbij. Ik ben naast hem gaan zitten.

‘Ik laat je niet vallen,’ zei ik.

Hij keek niet op. ‘Zo voelde het gisteren wel.’

‘Misschien omdat je wilde dat ik voor je zou vechten tegen de rest.’

Toen keek hij me wel aan. Moe, ouder ineens. ‘Ik vraag niet dat je voor mij kiest. Ik vraag dat je ergens voor kiest.’

Ik heb lang niks gezegd. Daarna zei ik: ‘Dat doe ik ook. Ik kies ervoor dat vriendschap niet alleen overeind blijft als iedereen hetzelfde roept. En ik kies er ook voor om niet meer te doen alsof jouw zorgen onzin zijn. Maar als jij elke donderdag gebruikt als tribunaal, dan ben ik weg. Dat is mijn grens.’

Hij knikte, heel langzaam. ‘Dus gezelligheid eerst.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Respect eerst. Voor beide kanten.’

Hij bleef dat een tijdje laten bezinken. Uiteindelijk zei hij: ‘Ik weet niet of ik dat kan.’

‘Dat mag,’ zei ik. ‘Maar dan weet je ook niet of de groep dit volhoudt.’

We zijn dat weekend niet uit elkaar geknald, maar het werd nooit meer zoals vroeger. Geert kwam weken niet op donderdag. Daarna af en toe weer, korter, voorzichtiger. De groep is smaller geworden, eerlijker ook misschien. Minder vanzelfsprekend. Ik mis de oude lichtheid, maar ik mis nog meer dat ik zo lang dacht dat harmonie hetzelfde was als oprechtheid.

Ik heb geleerd dat je een vriend niet hoeft af te vallen om toch een grens te trekken. En dat zwijgen soms vrede lijkt, maar vanbinnen langzaam iets sloopt. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: kies je voor de vriendschap, voor de groep, of moet een echte vriend je juist durven ongemakkelijk te maken?