Toen onze vaste vriendenavonden ineens een ‘leefstijl-club’ werden, voelde ik me niet meer welkom aan tafel
‘Dus de vrijdagavonden zijn dan voortaan wandelen en daarna iets lichts eten?’ vroeg ik, en ik hoorde zelf al hoe scherp mijn stem klonk. Iedereen zat nog met z’n koffiekopje aan tafel bij Henk en Marjan, de schaal met blokjes kaas stond er nog, en toch voelde het alsof ik te laat was voor een besluit dat allang genomen was. Peter, mijn man, knikte alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Ja, lijkt me juist goed. We worden geen veertig meer, Els.’
Dat ene zinnetje kwam harder aan dan ik wilde toegeven. Niet eens omdat hij ongelijk had. Ik ben zestig, ik weet ook wel dat mijn knieën niet beter worden van op de bank zitten. Maar onze vrijdagavonden waren al ruim dertig jaar hetzelfde: eerst borrel, dan eten, dan veel te lang natafelen. Soms stamppot, soms lasagne, soms gewoon soep en stokbrood. Er werd gelachen om dezelfde verhalen, geklaagd over kinderen, werk, pensioen, kwaaltjes. Juist dat voorspelbare vond ik fijn. Niemand hoefde ergens goed in te zijn.
Het idee kwam van Rob. Die was na een lichte hartaanval vorig jaar anders in het leven gaan staan, wat ik best begreep. Hij was afgevallen, liep elke ochtend rondjes in het park en las ineens etiketten in de supermarkt. ‘We moeten elkaar een beetje scherp houden,’ zei hij. ‘Niet alleen gezellig oud worden, maar ook fit oud worden.’
‘Maar waarom moet dat in plaats van die avonden?’ vroeg ik. ‘Waarom niet ernaast?’
Marjan haalde haar schouders op. ‘Omdat twee vaste momenten in de week voor de meesten te veel is. En eerlijk, na zo’n zware maaltijd voel ik me ook niet altijd top.’
De meesten. Dat woord bleef hangen. Alsof ik niet meer onder die meesten viel.
Op de fiets naar huis zei ik niks. Peter wel. ‘Je trok wel heel snel de conclusie dat het over jou ging.’
Ik trapte door tegen de wind in. ‘Omdat het ook een beetje over mij gaat. Alsof gezellig eten ineens fout is.’
‘Dat zegt toch niemand?’
‘Nee, jullie zeggen het netjes. Dat maakt het niet minder duidelijk.’
Thuis zette hij de waterkoker aan en ik schonk mezelf juist een glas wijn in. Kinderachtig misschien, maar ik was boos. Niet eens vooral op Rob of Marjan. Op Peter. Omdat hij daar meteen in meeging zonder ook maar één keer naar mij te kijken. Alsof mijn plek in die groep vanzelfsprekend was, ook als de hele vorm veranderde.
De weken erna werd de appgroep ineens een stroom van stappentellers, foto’s van volkoren wraps en voorstellen voor wandelroutes in de duinen, het Amsterdamse Bos, de Utrechtse Heuvelrug. Peter deed enthousiast mee. ‘Zondag al even schoenen passen?’ vroeg hij.
Ik zei: ‘Ga lekker.’
Hij zuchtte. ‘Je maakt er echt een principekwestie van.’
‘Misschien is het dat ook.’
Want voor mij ging het allang niet meer over wandelen. Ik wandel best. Niet snel, niet fanatiek, maar ik kom buiten. Het ging erom dat iets wat altijd onvoorwaardelijk voelde ineens een project werd. Alsof we elkaar niet meer ontmoetten om elkaar te zien, maar om elkaar te verbeteren.
Twee vrijdagen later ben ik toch meegegaan. We verzamelden op een parkeerplaats bij het bos. Iedereen in softshelljassen, kleine rugzakjes, sporthorloges. Ik voelde me log in mijn gewone jas. Dom misschien, maar zo was het. Na twintig minuten liep ik al achter. Niet omdat het tempo moordend was, maar omdat er steeds gepraat werd over hartslagzones, koolhydraten, slapen, alcohol minderen. Henk zei luchtig: ‘Els, als jij die wijn laat staan ben je zo tien kilo lichter.’ Hij lachte erbij. De rest ook, ongemakkelijk.
Ik lachte niet. ‘Dank je, Henk. Fijn dat je me even doorlicht.’
Daarna werd het stil. Peter keek naar de grond. Op de terugweg in de auto barstte het los.
‘Je had ook normaal kunnen reageren,’ zei hij.
‘Normaal? Hij beledigt me waar ik bij sta.’
‘Het was een grap.’
‘Nee. Het was een grap met een boodschap. En jullie vinden die boodschap allemaal redelijk.’
Hij sloeg met vlakke hand op het stuur. ‘We zijn zestig, Els. Alsof het onredelijk is om gezonder te willen leven. Ik wil nog wat jaren goed mee. Wandelen, reizen, traplopen zonder hijgen. Wat is daar mis mee?’
Ik keek uit het raam naar de grijze lucht boven de A12. ‘Niks. Maar ik wil ook nog ergens zitten waar ik niet het gevoel heb dat ik eerst moet bewijzen dat ik het goed genoeg doe.’
Een paar dagen later belde Marjan. Niet om ruzie te maken, eerder voorzichtig. ‘Ik denk dat dit je meer raakt dan wij doorhadden,’ zei ze.
‘Omdat het meer is dan een wandeling,’ zei ik. ‘Voor mij wel.’
Ze bleef even stil. ‘Misschien hebben wij te makkelijk gedacht: als het voor ons goed voelt, dan gaat iedereen wel mee.’
Dat was de eerste keer dat ik me een beetje gehoord voelde. We spraken af in een koffietentje in het dorp, gewoon met z’n tweeën. Zonder mannen, zonder groep. Ik vertelde haar dat die vrijdagavonden voor mij juist belangrijker waren geworden sinds de kinderen uit huis waren en mijn moeder was overleden. Dat die avonden iets veiligs hadden. Geen prestaties, geen doelen, alleen mensen die mij al dertig jaar kenden.
Marjan zei: ‘Voor Rob is het precies andersom. Sinds die hartaanval voelt gezelligheid zonder rem voor hem juist onveilig. Alsof hij doet alsof er niks aan de hand is.’
Toen snapte ik het beter, al deed het nog steeds pijn.
Uiteindelijk kwam er geen oude situatie terug. De groep wilde door met wandelen en lichter eten. Dat hebben ze ook eerlijk gezegd. Geen stemming, geen drama, gewoon: dit is waar de meeste mensen behoefte aan hebben. Ik heb toen iets gedaan wat ik maanden eerder nog laf had gevonden. Ik ben niet mee blijven doen uit angst om ze kwijt te raken, maar ik ben ook niet volledig weggelopen. Ik ga eens in de paar weken mee als het een korte wandeling is en ergens koffie drinken inhoudt in plaats van quinoa uit bakjes. En eens per maand eten Marjan en Henk, of soms twee anderen, gewoon bij ons thuis. Geen thema. Geen stappenplan. Gewoon aan tafel.
Peter en ik hebben er langer over gedaan. Hij vond me koppig, ik vond hem meegaand tot het pijn deed. Misschien waren we allebei een beetje bang: hij voor achteruitgang, ik voor afwijzing. Nu wandelen we soms samen, op ons eigen tempo. En vrijdagavond is niet meer heilig, maar ook niet verdwenen. Hij heeft alleen een andere vorm gekregen dan ik wilde.
Ik heb geleerd dat vriendschap niet altijd hetzelfde blijft, en dat aanpassen niet hetzelfde is als jezelf opgeven. Maar ik geloof ook nog steeds dat je ergens moet mogen aanschuiven zonder eerst verbeterd te worden. Hoe zouden jullie hiermee omgaan: meebewegen met de groep, of trouw blijven aan wat jij nodig hebt, ook als dat afstand kost?