Toen onze jaarlijkse vakantie naar Frankrijk ineens draaide om principes in plaats van vriendschap

‘Dus mijn grens telt hier blijkbaar minder dan jullie trek in een worstje?’

Ik had net de boodschappen op het aanrecht gezet in het huisje dat we al voor de derde keer in de Dordogne huurden, toen Kees dat zei. Gewoon in die kleine keuken met die gele tegeltjes en dat gammele koffiezetapparaat. Iedereen viel stil. Ik voelde meteen die spanning in mijn schouders schieten waarvan ik wist: dit gaat niet meer met een grapje weg.

We gaan al bijna dertig jaar met dezelfde club naar Frankrijk. Twee weken in september, buiten het hoogseizoen, beetje wandelen, marktje pakken, ’s avonds koken, kaarten, wijn erbij. We zijn nu allemaal ergens in de zestig. Het fijne was altijd dat niemand zich hoefde uit te leggen. We kenden elkaars gewoontes, elkaars irritaties zelfs. Juist daarom kwam dit zo hard aan.

Kees had een paar maanden eerder in de appgroep gezet dat hij voortaan strikt veganistisch leefde. Niet ‘ik eet even wat minder vlees’, maar echt strikt. Hij had documentaires gekeken, zei hij, en vond dat hij niet langer mee kon doen aan iets wat slecht was voor dieren en klimaat. Prima, dacht ik toen. Moet hij zelf weten. Mijn vrouw Marjan reageerde meteen lief: ‘Goed dat je doet wat bij je past.’

Maar een week voor vertrek kwam zijn bericht: of we tijdens de gezamenlijke diners in Frankrijk dan ook geen vlees of vis wilden serveren. ‘Uit respect’, schreef hij. ‘Anders zit ik alsnog elke avond tegenover iets waar ik principieel niet aan mee wil doen.’

Ik las het drie keer. Marjan zei: ‘Misschien is dit belangrijk voor hem.’
Ik zei: ‘Ja, maar waarom moeten wij dan veranderen? Hij kan toch gewoon zijn eigen eten maken?’
Ze keek me aan over haar leesbril heen. ‘Omdat het niet alleen om eten gaat. Het gaat om erbij horen.’
Ik werd daar al kriegel van. ‘Erbij horen? Alsof wij hem buitensluiten als ik een stukje saucisson eet?’

In dat huisje in Frankrijk kwam het er dus uit. Kees stond met zijn handen op het aanrecht. Anja, zijn vrouw, keek vooral naar de vloer. Hans schonk zichzelf nog wat rosé in, wat ik op dat moment bijna provocerend vond.

‘Kees,’ zei ik, ‘ik respecteer echt dat jij vegan eet. Maar je kunt toch niet van zeven andere mensen vragen dat wij onze hele vakantie aanpassen?’
Hij antwoordde meteen: ‘Waarom is dat zo groot? Er zijn genoeg lekkere dingen zonder vlees. Jullie doen net alsof ik vraag of de wijn weg moet.’
‘Omdat het wel groot is,’ zei ik. ‘We koken al jaren samen zoals we dat doen. Dat is ook onze vakantie.’

Marjan trapte onder tafel tegen mijn been, zo’n waarschuwing. Maar ik was al geïrriteerd. Misschien ook omdat ik me moreel in een hoek gezet voelde. Alsof ik niet gewoon iemand was die graag op de barbecue een merguez gooide, maar ineens een slecht mens.

Anja zei zacht: ‘Hij wil gewoon niet elke avond discussies of blikken.’
Hans lachte kort. ‘Nou, die discussies zijn er nu anders ook.’
Niemand lachte mee.

Die avond aten we ratatouille, aardappels uit de oven en een salade met linzen. Het was prima eten. Daar ging het eigenlijk niet eens om, merkte ik tegen mijn zin in. Het ging om de toon, om het moeten. Ik kon slecht tegen dat woord respect als het voelde als gehoorzaamheid.

Later op het terras zei Marjan tegen mij: ‘Je doet nu alsof hij jullie iets afpakt, maar hij vraagt ook iets kwetsbaars. Hij loopt risico om als lastig gezien te worden.’
Ik zei: ‘Dat ís hij toch ook een beetje?’
Ze werd boos. ‘En jij doet alsof jouw gewoonte neutraler is dan zijn overtuiging. Dat is ook niet eerlijk.’

Ik sliep die nacht beroerd. Ik hoorde in mijn hoofd steeds Kees’ stem van vroeger, toen mijn broer overleed en hij als eerste voor de deur stond met boodschappen en bier, zonder grote woorden. We hebben samen zoveel meegemaakt dat ik me schaamde dat ik zo hard was geworden over eten. Tegelijk dacht ik: vriendschap is toch ook elkaar iets gunnen zonder voorwaarden?

De volgende ochtend ben ik vroeg met Kees gaan lopen naar de bakker. Gewoon wij tweeën, zoals vroeger. Bij de brug over het riviertje zei ik: ‘Luister, ik voelde me onder druk gezet. Alsof jij bepaalt wat wij nog mogen eten.’
Hij knikte. ‘Dat snap ik. Maar ik voel me al maanden degene die lastig is. Als ik zwijg, verraad ik iets wat voor mij echt belangrijk is. En als ik het zeg, ben ik de zeur.’
Ik vroeg: ‘Had je ook kunnen vragen of we het een paar avonden zouden doen in plaats van de hele vakantie?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Misschien wel. Ik kwam meteen hard binnen. Omdat ik bang was dat anders niemand het serieus nam.’

Dat was eigenlijk het eerlijkste moment van de hele week.

We hebben die middag met z’n allen aan de lange tafel gezeten, zonder wijn eerst. Dat hielp. Uiteindelijk spraken we af: de gezamenlijke diners in en om het huis zouden vegetarisch zijn, waarvan zeker een paar avonden volledig vegan. Wie per se vlees of vis wilde, kon dat buiten de deur eten bij de lunch of als we een keer op een terrasje zaten. Niet perfect voor iedereen, maar wel leefbaar. Hans mopperde dat ‘de revolutie begonnen was’, maar zelfs hij bestelde twee dagen later zonder gezeur een geitenkaassalade.

Het wonderlijke was dat de sfeer pas opknapte toen iedereen stopte met doen alsof het alleen over eten ging. Het ging over gezien willen worden, over ruimte innemen, over bang zijn dat een groep waarin je oud bent geworden niet meer vanzelfsprekend de jouwe is.

Ik heb die week nog gewoon genoten van Frankrijk: de ochtendmarkt, de hitte op de luiken, de geur van koffie en stof in dat huis. Maar ik merkte ook dat vriendschap op onze leeftijd niet betekent dat alles hetzelfde blijft. Eerder dat je opnieuw moet leren hoe je elkaar vasthoudt zonder elkaar vast te zetten.

Ik vind nog steeds niet dat één iemand alles voor een groep moet bepalen. Maar ik zie nu wel dat ik mijn eigen gewoontes veel sneller normaal noemde dan die van een ander. Misschien was dat het deel waar ik het meest van schrok.

Vriendschap is blijkbaar niet dat je altijd hetzelfde wilt, maar dat je het moeilijke gesprek niet uit de weg gaat als dat niet meer zo is. Hoe zouden jullie hiermee zijn omgegaan: aanpassen voor de sfeer, of juist je eigen grens bewaken?