Vastgehouden door Liefde: Marloes’ Weg naar Vrijheid

‘Marloes, waar ben je nu weer mee bezig?’ Daans stem snijdt door de stilte van onze kleine keuken in Utrecht. Mijn hand trilt als ik de boodschappen op het aanrecht zet. ‘Gewoon… ik had nog wat extra groenten meegenomen. Ze waren in de aanbieding.’

Hij zucht, pakt het bonnetje uit mijn hand en bestudeert het alsof hij een misdaad onderzoekt. ‘We hebben afgesproken dat je niet zomaar geld uitgeeft. Je weet toch dat we moeten sparen voor de vakantie?’

Ik knik, voel hoe mijn wangen rood worden. ‘Sorry, Daan. Het zal niet meer gebeuren.’

Maar diep vanbinnen weet ik dat het niet om de vakantie gaat. Het gaat nooit om de vakantie, of om geld. Het gaat om controle. Om macht. En ik? Ik geef toe, elke keer weer.

Toen ik Daan leerde kennen op een feestje van mijn vriendin Sanne, was hij charmant, attent, bijna ouderwets hoffelijk. Hij bracht me bloemen, luisterde naar mijn verhalen over mijn werk als verpleegkundige in het Diakonessenhuis. Mijn ouders, Willem en Els, waren dol op hem. ‘Eindelijk een man die je op handen draagt,’ zei mijn moeder trots.

Na een jaar vroeg hij me ten huwelijk. Ik zei ja, natuurlijk zei ik ja. Wie wil er nu niet zo’n liefde? Maar na de bruiloft veranderde er iets. Het begon klein: ‘Zal ik je salaris beheren? Dan hoef jij je daar niet druk om te maken.’ Ik vond het lief, vertrouwde hem volledig. Maar langzaam werden de regels strakker.

‘Waarom ben je zo laat thuis?’
‘Met wie app je?’
‘Je moeder belt wel erg vaak, vind je niet?’

Op een dag stond ik met mijn jas aan bij de voordeur, klaar om naar Sanne te gaan. Daan stond in de deuropening. ‘Weet je zeker dat je haar nu moet zien? Je bent de laatste tijd zo moe. Misschien kun je beter thuisblijven.’

Ik lachte onzeker. ‘Het is maar voor een uurtje.’

Hij keek me strak aan. ‘Ik vind het niet fijn als je zonder mij weggaat.’

En dus bleef ik thuis.

De jaren gingen voorbij. Mijn wereld werd kleiner en kleiner. Mijn vrienden haakten af – ‘Je hebt het altijd druk’, zeiden ze – en zelfs mijn ouders kwamen minder vaak langs. Daan vond altijd wel een reden waarom het niet uitkwam.

Op een avond zat ik alleen op de bank, terwijl Daan boven aan het werk was. Ik scrolde door oude foto’s op mijn telefoon: Sanne en ik op het strand in Scheveningen, mijn vader die lacht tijdens een barbecue in de tuin, mijn moeder die me stevig vasthoudt na mijn diploma-uitreiking. Tranen prikten achter mijn ogen.

‘Wat is er?’ Daan stond ineens in de deuropening.

‘Niets,’ zei ik snel, veegde mijn ogen droog.

‘Je zit weer te huilen? Waarover nu weer?’

‘Gewoon… ik mis mijn ouders.’

Hij zuchtte diep. ‘Ze bemoeien zich te veel met ons leven. Je moet leren loslaten, Marloes.’

Die nacht lag ik wakker naast hem in bed. Zijn ademhaling was zwaar en regelmatig; die van mij onrustig en oppervlakkig. Ik dacht aan vroeger – hoe vrij ik me voelde, hoe licht het leven leek. Wanneer was dat gevoel verdwenen? Wanneer was ik mezelf kwijtgeraakt?

Op een dag kreeg ik op mijn werk een briefje van collega Fatima: ‘Kopje koffie doen na je dienst?’ Ik twijfelde even, maar knikte toen ze me vragend aankeek.

In het café vertelde Fatima over haar scheiding. ‘Het was zwaar,’ zei ze, ‘maar ik voel me eindelijk weer mezelf.’

Haar woorden bleven hangen in mijn hoofd als een echo. Zou ik dat ook kunnen? Weer mezelf worden?

Thuis durfde ik niets te zeggen over Fatima. Daan zou het niet goed vinden als ik met haar omging – hij vond haar te uitgesproken, te vrijgevochten.

Toch begon er iets te veranderen in mij. Kleine dingen: ik hield wat kleingeld apart in een oude sok onderin mijn la; ik appte stiekem met Sanne; ik begon weer te lezen – boeken over sterke vrouwen die hun eigen weg gingen.

Op een zaterdagmiddag kwam mijn moeder onverwacht langs. Daan was boodschappen doen.

‘Meisje, hoe gaat het echt met je?’ vroeg ze zachtjes terwijl ze mijn hand pakte.

Ik brak. De tranen stroomden over mijn wangen en alles kwam eruit: de controle, de angst, het gevoel opgesloten te zitten.

Mijn moeder hield me stevig vast. ‘Je hoeft dit niet alleen te doen, Marloes.’

Toen Daan thuiskwam en mijn moeder nog zag zitten, trok zijn gezicht strak. ‘Wat doe jij hier nog?’

Mijn moeder keek hem recht aan. ‘Ik kom voor mijn dochter.’

Die avond was ijzig stil. Daan sprak geen woord tegen me; zijn blik was koud en afstandelijk.

De dagen daarna voelde ik me schuldig én opgelucht tegelijk. Alsof er iets verschoven was in mij – een klein sprankje hoop.

Op een avond zat ik aan tafel toen Daan ineens zei: ‘Ik wil dat je stopt met werken. Je bent altijd moe en gestrest van dat ziekenhuis.’

Mijn hart bonsde in mijn borstkas. ‘Maar… ik hou van mijn werk.’

‘Het is beter zo,’ zei hij beslist.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik dacht aan Fatima’s woorden, aan de blik van mijn moeder, aan wie ik ooit was geweest.

De volgende ochtend pakte ik mijn telefoon en belde Sanne.

‘San… kun je me komen halen?’

Ze aarzelde geen seconde. ‘Ik ben er over tien minuten.’

Terwijl ik wachtte, pakte ik snel wat spullen in een tas: wat kleren, mijn paspoort, de sok met geld.

Daan kwam net binnen toen Sanne voor de deur stond.

‘Waar ga je heen?’ vroeg hij scherp.

Mijn stem trilde maar brak niet: ‘Ik ga weg, Daan.’

Hij lachte spottend. ‘Je hebt niets zonder mij.’

Sanne stond achter me en legde haar hand op mijn schouder. ‘Ze heeft meer dan genoeg.’

Ik liep naar buiten zonder om te kijken.

De eerste weken bij Sanne waren zwaar – elke dag twijfelde ik of ik het juiste had gedaan. Maar langzaam voelde ik mezelf terugkomen: kleine dingen zoals zelf boodschappen doen, zelf beslissen wat ik eet of draag.

Mijn ouders kwamen langs met bloemen en tranen van opluchting in hun ogen.

Fatima stuurde een kaartje: ‘Trots op jou!’

Daan stuurde berichten vol spijt en verwijten – soms verlangde ik terug naar de veiligheid van zijn controle, maar dan herinnerde ik mezelf eraan hoe klein mijn wereld was geworden.

Nu woon ik in een klein appartementje in Utrecht-Oost. Het is niet veel, maar het is van mij. Ik werk weer in het ziekenhuis en heb contact met oude vrienden hersteld.

Soms kijk ik uit het raam naar de stad die nooit slaapt en vraag ik mezelf af: hoe heb ik het zo ver laten komen? En belangrijker nog: hoeveel vrouwen zoals ik wachten nog steeds op hun eigen vrijheid?