“Waarom zie je mij niet, mam?” – Het verhaal van een Nederlandse dochter tussen loyaliteit en verlangen

‘Waarom zie je mij niet, mam?’ Mijn stem trilde, maar ik kon het niet meer inslikken. Mijn moeder draaide zich om, haar handen vol met de natte was van mijn broertje Daan en zusje Lotte. ‘Wat bedoel je, Iris?’ Haar stem klonk vermoeid, alsof ze geen ruimte had voor nog meer drama.

Ik stond daar, vijftien jaar oud, met mijn rug tegen de keukendeur. De geur van natte was en afwasmiddel hing in de lucht. ‘Sinds Daan en Lotte er zijn, lijkt het alsof ik niet meer besta. Alles draait om hen. Ik… ik voel me gewoon niet gezien.’

Ze zuchtte diep, zette de wasmand neer en wreef over haar voorhoofd. ‘Iris, je weet toch dat het druk is met een tweeling? Ze zijn nog zo klein. Jij bent oud genoeg om jezelf te redden.’

‘Maar ik ben ook nog maar een kind!’ riep ik uit. Mijn stem sloeg over. ‘Ik heb ook aandacht nodig. Waarom moet ik altijd de sterke zijn?’

Mijn moeder keek me aan, haar ogen flitsten van vermoeidheid naar iets wat op irritatie leek. ‘Dit is niet het moment, Iris. Je ziet toch dat ik mijn handen vol heb?’

Ik draaide me om en rende de trap op naar mijn kamer. De deur sloeg dicht achter me. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik hoorde beneden Lotte huilen en mijn moeder die haar naam riep. Alsof mijn uitbarsting alweer vergeten was.

Die avond at ik zwijgend aan tafel. Mijn vader probeerde het gesprek luchtig te houden – ‘Hoe was het op school vandaag?’ – maar niemand luisterde echt. Daan gooide zijn melk om, Lotte wilde geen groente eten, en mijn moeder keek alleen maar naar haar bord.

Na het eten trok ik me terug op mijn kamer. Mijn telefoon trilde: een appje van mijn beste vriendin Sanne.

‘Gaat het?’

Ik typte: ‘Nee. Alles draait hier om de tweeling. Ik voel me zo alleen.’

Sanne stuurde een hartje terug. ‘Kom morgen na school naar mij toe.’

De volgende dag liep ik na school met Sanne naar haar huis in een rustige straat in Utrecht-Oost. Haar moeder begroette ons met warme chocolademelk en een glimlach. Het voelde als thuiskomen.

‘Je mag hier altijd zijn, Iris,’ zei Sanne’s moeder terwijl ze een hand op mijn schouder legde.

Ik slikte de brok in mijn keel weg. ‘Dank u wel.’

Bij Sanne thuis kon ik even vergeten dat ik thuis onzichtbaar was. Maar zodra ik weer naar huis fietste, voelde ik de spanning terugkeren in mijn lijf.

Thuis was alles hetzelfde: Daan huilde omdat hij zijn knuffel kwijt was, Lotte wilde niet slapen zonder haar favoriete verhaaltje. Mijn moeder liep heen en weer tussen hun kamers. Mijn vader zat achter zijn laptop te werken.

Op een avond hoorde ik mijn ouders zachtjes praten in de keuken.

‘Ze trekt zich steeds meer terug,’ zei mijn vader bezorgd.

‘Ze moet gewoon leren dat het nu even niet om haar draait,’ antwoordde mijn moeder kortaf.

Mijn hart kromp samen. Was ik dan zo egoïstisch?

De weken gingen voorbij. Op school ging het slechter; mijn cijfers kelderden en ik had nergens zin in. Sanne probeerde me op te vrolijken, maar zelfs zij kon me niet bereiken.

Op een dag kwam ik thuis en vond ik mijn moeder huilend aan de keukentafel.

‘Mam?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze keek op, haar ogen rood van het huilen. ‘Het spijt me, Iris. Ik weet dat ik je tekortdoe. Maar soms weet ik gewoon niet hoe ik alles moet combineren.’

Ik ging tegenover haar zitten. ‘Ik wil alleen maar dat je me ziet, mam. Dat je af en toe vraagt hoe het met míj gaat.’

Ze pakte mijn hand vast. ‘Je hebt gelijk. Ik ben je moeder, ook al ben je niet meer klein.’

We huilden samen, daar aan die keukentafel vol kruimels en lege koffiekopjes.

Maar het was niet meteen opgelost. De dagen erna probeerde mijn moeder meer tijd voor mij te maken – een wandelingetje na het eten, samen boodschappen doen – maar de tweeling eiste nog steeds alle aandacht op.

Op een zaterdagmiddag barstte de bom opnieuw toen Lotte haar verjaardagstaart liet vallen en iedereen in paniek raakte behalve ik.

‘Waarom help je niet even mee, Iris?’ snauwde mijn moeder.

‘Omdat jullie altijd verwachten dat ík alles oplos!’ schreeuwde ik terug.

Mijn vader greep in: ‘Rustig! We zijn allemaal moe.’

Ik stormde naar buiten, de frisse lentelucht in, en fietste zonder jas naar het park. Daar zat ik op een bankje en keek naar spelende kinderen met hun ouders. Waarom voelde het alsof iedereen gelukkig was behalve wij?

Toen hoorde ik voetstappen achter me. Sanne kwam naast me zitten.

‘Je hoeft niet altijd sterk te zijn, weet je,’ zei ze zacht.

Ik barstte in tranen uit. ‘Maar als ík het niet ben, wie dan wel?’

Sanne sloeg haar arm om me heen. ‘Misschien moet je accepteren dat je soms gewoon verdrietig mag zijn.’

Die avond schreef ik een brief aan mijn moeder:

‘Lieve mam,
Ik weet dat het zwaar is met Daan en Lotte, maar ik mis ons samen zijn. Ik mis wie wij waren voordat alles veranderde. Kunnen we proberen elkaar weer te vinden?
Liefs,
Iris’

De brief lag dagenlang op haar nachtkastje voordat ze er iets over zei.

‘Wil je morgen samen naar het bos?’ vroeg ze op een ochtend voorzichtig.

We liepen urenlang zwijgend door de Soesterduinen. Soms zei niemand iets; soms praatten we over vroeger, toen alles eenvoudiger leek.

Langzaam groeide er iets nieuws tussen ons – geen perfecte band, maar wel begrip voor elkaars pijn en onmacht.

Toch bleef het moeilijk thuis; de tweeling bleef aandacht vragen en soms voelde ik me weer onzichtbaar. Maar nu wist ik: mijn gevoelens mochten er zijn.

Soms vraag ik me af: hoeveel kinderen voelen zich thuis ongezien? En waarom is het zo moeilijk om gewoon te zeggen: “Zie mij”? Wie herkent dit?