De Stem van Harmen: Een Weduwe op Zoek naar Troost
‘Waarom moet alles altijd veranderen, mam?’ De stem van mijn dochter Sanne trilt terwijl ze haar jas dicht ritst. Ik kijk haar aan, haar ogen rood van het huilen. ‘Omdat het leven niet stil blijft staan, lieverd,’ antwoord ik zacht, maar mijn stem breekt. We staan samen op het perron van station Amersfoort, waar de regen tegen het glazen dak tikt.
Het is een week geleden dat Harmen, mijn man, is overleden. Zijn dood kwam niet onverwacht – de kanker had hem langzaam gesloopt – maar het gat dat hij achterliet voelt als een open wond. Alles in huis ruikt nog naar hem. Zijn pantoffels staan onder de kapstok, zijn krant ligt opgevouwen op tafel. Maar het meest mis ik zijn stem. Die warme, geruststellende stem die altijd zei: ‘Komt goed, El.’
Op de dag van zijn begrafenis, toen ik met Sanne en mijn zoon Bram terugliep naar huis, hoorde ik plotseling zijn stem door de luidsprekers van het station: ‘Dames en heren, de intercity naar Zwolle vertrekt over enkele minuten vanaf spoor 3.’ Mijn hart sloeg over. Harmen had jarenlang als omroeper gewerkt op dit station. Zijn stem was vertrouwd voor duizenden reizigers – en nu was hij er nog even, voor mij.
Sindsdien kom ik elke dag naar het station. Ik ga op het bankje bij spoor 3 zitten en wacht tot zijn stem klinkt. Soms duurt het uren. Soms hoor ik alleen de nieuwe omroeper, een jonge vrouw met een scherpe stem die me uit mijn herinneringen rukt. Maar als Harmens stem klinkt, sluit ik mijn ogen en stel me voor dat hij naast me zit.
‘Mam, je moet verder,’ zegt Bram op een avond als ik weer laat thuis kom. ‘Dit is niet gezond.’
‘Laat haar,’ snauwt Sanne. ‘Jij snapt er niks van!’
‘Hij is dood, Sanne! Hij komt niet meer terug!’
De woorden blijven hangen in de kamer als een koude mist. Ik voel me verscheurd tussen hun verdriet en mijn eigen pijn. Bram wil vooruit, Sanne klampt zich net als ik vast aan wat er nog is.
Een paar dagen later gebeurt het onvermijdelijke: Harmens stem wordt vervangen door die van de jonge vrouw. Ik zit op mijn vaste bankje als haar stem klinkt: ‘Dames en heren, de intercity naar Zwolle vertrekt over enkele minuten vanaf spoor 3.’ Het voelt alsof iemand een mes in mijn borst steekt.
Thuis gooi ik mijn tas op de grond en barst in tranen uit. Sanne komt naast me zitten en slaat haar armen om me heen.
‘Misschien kun je iemand bellen,’ fluistert ze.
Die nacht lig ik wakker. Ik staar naar het plafond en hoor Harmens stem in mijn hoofd. ‘Komt goed, El.’ Maar deze keer geloof ik hem niet.
De volgende ochtend bel ik het station. Een vriendelijke man neemt op.
‘Goedemorgen, station Amersfoort, met Erik.’
‘Hallo… eh… u kent mij niet, maar… Mijn man was Harmen van Dijk. Hij was jarenlang omroeper hier. Ik… Ik hoorde altijd zijn stem op het station… Maar nu is hij weg.’
Er valt een stilte aan de andere kant.
‘Mevrouw… gecondoleerd met uw verlies. Ik weet wie uw man was. Iedereen kende Harmen.’
Mijn keel knijpt dicht.
‘Is er… Is er een manier waarop ik zijn stem nog één keer kan horen?’
Erik zucht diep.
‘Ik weet niet of dat kan… De oude opnames zijn vervangen door nieuwe systemen. Maar… laat me iets proberen.’
De dagen daarna leef ik tussen hoop en wanhoop. Sanne volgt me zwijgend door het huis; Bram ontwijkt me steeds meer. Op een avond barst hij uit:
‘Je leeft in het verleden! Denk je dat pap wil dat je zo doorgaat?’
‘Bram!’ roept Sanne boos.
‘Nee, laat maar,’ zeg ik zacht. ‘Misschien heeft hij gelijk.’
Maar diep vanbinnen weet ik dat ik niet anders kan.
Een week later krijg ik een telefoontje van Erik.
‘Mevrouw van Dijk? Ik heb iets gevonden. Kom morgen om tien uur naar het station.’
Mijn hart bonkt in mijn keel als ik ophang.
De volgende ochtend loop ik met knikkende knieën naar het kantoor van Erik. Hij begroet me met een warme glimlach en leidt me naar een kleine ruimte vol apparatuur.
‘We hebben nog één oude opname gevonden,’ zegt hij zacht. ‘Wilt u luisteren?’
Ik knik en veeg mijn tranen weg.
Hij drukt op een knop en daar klinkt Harmens stem: ‘Dames en heren, welkom op station Amersfoort. Wij wensen u een prettige reis.’
Ik sluit mijn ogen en voel hoe de tranen over mijn wangen stromen. Even is hij er weer – niet als herinnering, maar echt, tastbaar, dichtbij.
Als ik thuiskom vertel ik Sanne wat er is gebeurd. Ze glimlacht door haar tranen heen en slaat haar armen om me heen.
‘Zie je wel, mam? Hij is nooit helemaal weg.’
Bram komt die avond thuis met bloemen.
‘Sorry mam,’ zegt hij schor. ‘Ik mis hem ook.’
We huilen samen aan tafel, voor het eerst sinds zijn dood.
Het leven gaat door – langzaam, schurend, met horten en stoten. Maar soms ga ik nog naar het station en luister ik naar de stemmen die komen en gaan. En heel soms hoor ik hem nog – in de wind tussen de perrons, in het zachte geroezemoes van reizigers.
Is het gek om zoveel troost te vinden in een stem? Of is dat juist wat ons menselijk maakt? Wat zouden jullie doen als je nog één keer iemand kon horen die je zo liefhad?