Ik stuurde mijn zonen naar de supermarkt, maar alleen de oudste kwam terug
‘Waar is Victor?’ Mijn stem trilde, terwijl ik Pieter strak aankeek. Zijn wangen waren rood van het fietsen, zijn ogen groot en schuldig. ‘Hij liep achter me, mam. Echt waar. Maar toen ik bij de supermarkt was, was hij weg.’
Mijn hart sloeg over. Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. ‘Wat bedoel je, hij was weg?’ Mijn stem klonk scherper dan ik wilde. Pieter kromp ineen. ‘Misschien is hij terug naar huis gelopen? Of… misschien is hij ergens blijven hangen?’
Ik rende naar buiten, de straat op. Onze buurt in Utrecht is meestal rustig, kinderen spelen op het plein, moeders kletsen bij de bakker. Maar nu voelde alles vreemd en vijandig. Ik riep Victors naam, steeds harder, tot mijn keel rauw was. Geen antwoord. Alleen het geluid van een scooter in de verte.
Binnen vijf minuten stond de hele straat op z’n kop. Buren kwamen naar buiten, vroegen wat er aan de hand was. ‘Victor is weg,’ zei ik, mijn stem brekend. Mevrouw De Vries van nummer 14 pakte meteen haar jas. ‘We zoeken mee.’
Pieter stond nog steeds bij de voordeur, zijn fiets aan zijn hand geklemd. Ik zag tranen op zijn wangen. ‘Sorry mam… Ik dacht dat hij achter me fietste.’
‘Het is niet jouw schuld,’ zei ik automatisch, maar diep vanbinnen voelde ik woede en paniek door elkaar heen razen. Waarom had ik ze samen gestuurd? Waarom had ik niet zelf gegaan?
Mijn man, Jeroen, kwam net thuis van zijn werk. Zijn gezicht werd lijkbleek toen hij het hoorde. ‘We bellen de politie,’ zei hij vastberaden.
De minuten kropen voorbij als uren. De politie arriveerde snel; twee agenten met serieuze gezichten stelden vragen. ‘Wat droeg Victor? Heeft hij een telefoon bij zich? Heeft hij eerder zoiets gedaan?’
‘Nee,’ zei ik snikkend. ‘Hij is pas zes.’
Ze verspreidden zich door de wijk, spraken met mensen op straat, vroegen bij de supermarkt of iemand iets had gezien. Niemand had Victor gezien.
Mijn gedachten tolden. Wat als iemand hem had meegenomen? Wat als hij verdwaald was? Of erger…
Pieter zat ineengedoken op de bank, zijn knieën tegen zijn borst getrokken. Jeroen probeerde hem te troosten, maar Pieter duwde hem weg. ‘Het is mijn schuld! Ik had op hem moeten letten!’
‘Nee jongen,’ zei Jeroen zacht, ‘het is niemand zijn schuld.’ Maar ik zag aan zijn ogen dat hij zichzelf ook iets verweet.
De uren sleepten zich voort. Het werd donker buiten; de straatlantaarns gingen aan. Mijn moeder belde – ze had het via via gehoord – en begon meteen te huilen aan de telefoon. ‘Marieke, lieverd…’
Ik kon niet antwoorden. Ik voelde me leeg en schuldig tegelijk.
Plotseling ging de deurbel. Mijn hart sloeg een slag over. Jeroen rende naar de deur – het was een agent.
‘We hebben een jongetje gevonden in het parkje verderop,’ zei hij voorzichtig. ‘Komt u mee kijken?’
Ik rende mee, mijn benen voelden als pudding. In het schemerdonker zag ik een klein figuurtje op een schommel zitten, zijn hoofd gebogen.
‘Victor!’ riep ik.
Hij keek op, zijn gezicht nat van de tranen. ‘Mama!’
Ik viel op mijn knieën en sloot hem in mijn armen. Hij rook naar gras en zweet en iets ondefinieerbaars – angst misschien.
‘Waarom ben je weggegaan?’ vroeg ik zachtjes.
Victor snikte: ‘Ik wilde naar de eendjes kijken… Maar toen wist ik niet meer waar Pieter was… En toen wist ik niet meer hoe ik terug moest.’
Ik drukte hem tegen me aan, voelde zijn kleine hartje bonzen tegen mijn borst.
We liepen samen terug naar huis, hand in hand, terwijl Jeroen zijn arm om Pieter sloeg.
Thuis barstte alles los. Pieter huilde van opluchting en schuldgevoel tegelijk; Victor kroop op schoot bij mij en wilde niet meer loslaten.
Die nacht sliep niemand echt. Ik lag wakker naast Jeroen, luisterend naar het zachte ademhalen van onze jongens op hun kamers.
‘Had ik dit kunnen voorkomen?’ fluisterde ik in het donker.
Jeroen draaide zich naar me toe en pakte mijn hand. ‘Je kunt niet alles controleren, Marieke.’
Maar dat geloofde ik niet helemaal.
De dagen erna bleef Victor dicht bij mij in de buurt; zelfs naar school wilde hij niet zonder mij fietsen. Pieter was stiller dan normaal; hij vermeed Victors blik en trok zich terug op zijn kamer met zijn stripboeken.
Op een avond hoorde ik Pieter zachtjes huilen achter zijn gesloten deur. Ik ging naast hem zitten op bed.
‘Het spijt me zo, mam,’ fluisterde hij zonder me aan te kijken.
‘Het is niet jouw schuld,’ zei ik weer – maar deze keer meende ik het meer dan ooit.
We praatten lang die avond; over verantwoordelijkheid, over angst en over hoe snel dingen mis kunnen gaan.
Jeroen en ik kregen ruzie over kleine dingen: wie er boodschappen moest doen, wie er moest koken, wie er met Victor naar zwemles ging. Alles voelde zwaarder dan voorheen; elke beslissing leek beladen met angst om weer iets fout te doen.
Mijn moeder bleef bellen met goedbedoelde adviezen: ‘Je moet ze leren loslaten, Marieke.’ Maar hoe doe je dat als je grootste angst werkelijkheid is geworden?
Langzaam keerde het gewone leven terug – of iets wat daarop leek. Victor durfde weer alleen naar buiten; Pieter maakte weer grapjes aan tafel.
Maar iets was voorgoed veranderd in mij. Elke keer als ze de deur uitgaan, voel ik een steek van paniek in mijn buik.
Soms vraag ik me af: hoe leer je vertrouwen als je weet hoe snel alles kan veranderen? Hoe laat je los zonder jezelf te verliezen?
Misschien hebben jullie daar een antwoord op…