Wanneer Kinderspel het Onmogelijke Breekt: Een Vriendschap op de Proef
‘Waarom moet Lotte altijd overal bij zijn, Anne? Kunnen we niet één keer gewoon met z’n tweeën koffie drinken?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer kalm te blijven. Anne kijkt me aan, haar ogen groot en gekwetst. ‘Ze is mijn dochter, Iris. Natuurlijk neem ik haar mee. Jij begrijpt het gewoon niet.’
Ik slik. De geur van versgemalen koffie in Anne’s lichte keuken doet niets om de spanning te verzachten. Buiten tikt de regen tegen het raam, typisch Nederlands weer, maar binnen stormt het harder dan ooit.
Anne en ik zijn al vriendinnen sinds de brugklas van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht. We deelden alles: eerste liefdes, nachten doorhalen in Tivoli, samen huilen om verloren tentamens. Maar sinds Lotte er is, lijkt Anne veranderd. Of ben ik dat?
‘Ik begrijp het wel,’ probeer ik nogmaals, zachter nu. ‘Maar het voelt alsof er geen ruimte meer is voor mij. Voor ons.’
Anne’s gezicht vertrekt. ‘Dat is niet eerlijk. Jij hebt geen kinderen, jij weet niet hoe het is.’
En daar is het weer: die muur van onbegrip die steeds vaker tussen ons in staat. Ik voel me schuldig, maar ook boos. Waarom moet alles altijd om Lotte draaien? Waarom mag ik niet meer gewoon Iris zijn, haar vriendin, in plaats van een figurant in het leven van haar dochter?
Thuis vertel ik het aan Mark, mijn man. Hij zucht diep terwijl hij zijn laptop dichtklapt. ‘Je moet haar gewoon zeggen wat je voelt, Iris. Je loopt hier al maanden mee.’
‘Maar wat als ze boos wordt? Of als ze me niet meer wil zien?’
Mark trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Wil je dan zo doorgaan? Altijd op je tenen lopen?’
Die nacht lig ik wakker. Ik hoor de regen harder worden, voel de kou door het dubbel glas trekken. Mijn gedachten razen: misschien ben ik egoïstisch. Misschien moet ik gewoon blij zijn dat Anne gelukkig is met haar dochter. Maar waarom voel ik me dan zo alleen?
De volgende dag appt Anne: “Zin om morgen naar de speeltuin te gaan met Lotte?”
Ik staar naar mijn telefoon. De speeltuin… alweer. Ik typ: “Kunnen we misschien een keer samen lunchen? Gewoon wij twee?”
Het duurt uren voor ze reageert: “Lotte kan niet bij mijn moeder blijven. Sorry.”
Ik gooi mijn telefoon op de bank en veeg een traan weg. Mark komt naast me zitten en slaat zijn arm om me heen.
‘Je moet haar echt vertellen hoe je je voelt,’ zegt hij zacht.
Een week later zitten we weer samen in haar keuken. Lotte zit op schoot, haar kleine handjes graaien naar mijn oorbellen.
‘Anne…’ begin ik voorzichtig. ‘Ik mis je. Ik mis ons.’
Ze kijkt me aan, haar blik vermoeid. ‘Iris, ik doe echt mijn best. Maar Lotte is nu mijn leven.’
‘En ik dan?’ Mijn stem breekt.
Ze zwijgt.
De weken daarna verwatert ons contact verder. Appjes blijven onbeantwoord, uitnodigingen worden afgewezen. Op Instagram zie ik foto’s van Anne en Lotte in het park, op het strand van Zandvoort, samen met andere moeders.
Op een avond zegt Mark: ‘Misschien moet je accepteren dat sommige vriendschappen veranderen.’
Maar dat wil ik niet. Ik wil vechten voor wat we hadden.
Ik besluit haar nog één keer te bellen.
‘Anne, kunnen we praten? Echt praten?’
Ze zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Iris… Ik weet niet of dat zin heeft. Jij begrijpt mijn leven niet meer.’
‘Maar wil je dat ik het probeer? Wil je dat we elkaar weer vinden?’
Het blijft lang stil.
‘Misschien… misschien hebben we gewoon een pauze nodig,’ zegt ze uiteindelijk.
Ik hang op met een brok in mijn keel.
De maanden gaan voorbij. Ik probeer nieuwe dingen: yoga in het park, schilderlessen bij de Volksuniversiteit, koffie met collega’s na werk. Maar niets vult het gat dat Anne heeft achtergelaten.
Op een dag krijg ik een kaartje in de bus: “Lotte wordt drie! Kom je op haar feestje?”
Mijn hart maakt een sprongetje – hoop? Of pijn?
Mark kijkt me aan als ik twijfel over het antwoord.
‘Wil je gaan?’ vraagt hij.
Ik knik langzaam. ‘Misschien is dit een kans.’
Het feestje is druk, vol kinderen en moeders die elkaar lijken te kennen van schoolplein of crèche. Anne begroet me voorzichtig, Lotte verstopt zich achter haar been.
We praten oppervlakkig – over werk, over het weer, over Lotte’s favoriete kleur (roze). Maar het voelt geforceerd, alsof we allebei bang zijn om te veel te zeggen.
Na afloop loop ik alleen naar huis door de regen. Mijn schoenen soppen door de plassen op de Oudegracht.
Thuis wacht Mark met thee.
‘En?’ vraagt hij zacht.
Ik haal mijn schouders op. ‘Het was… oké.’
Die nacht droom ik van vroeger: Anne en ik op onze fietsen door Utrecht, lachend om niets, vrij van zorgen.
De volgende ochtend stuur ik haar een bericht: “Ik mis je nog steeds.”
Ze antwoordt pas dagen later: “Ik jou ook.”
We spreken af voor een wandeling langs de Vecht. Zonder Lotte deze keer.
Het gesprek is stroef in het begin, maar langzaam ontdooien we. We praten over onze angsten – zij over de druk om een perfecte moeder te zijn, ik over het gevoel buitengesloten te worden.
‘Soms ben ik bang dat ik mezelf kwijt ben geraakt,’ fluistert Anne terwijl ze naar het water staart.
‘Ik ook,’ zeg ik zacht.
We huilen allebei een beetje – om wat verloren is gegaan, maar ook om wat misschien nog kan groeien.
Als ik thuiskom voel ik me lichter, maar ook onzeker. Kan onze vriendschap deze storm overleven? Of zijn we voorgoed veranderd?
Soms vraag ik me af: hoeveel kan een vriendschap verdragen voordat hij breekt? En hoe vind je jezelf terug als je iemand anders zo hard nodig hebt gehad?