Tussen de Scherven van Mijn Gezin: Een Vader in de Schaduw

‘Papa, waarom ga je weg?’ Anna’s stem trilt, haar ogen groot en nat. Jelle, haar jongere zusje, klampt zich stilletjes aan haar knuffel vast. Mijn hart bonkt in mijn borstkas terwijl ik mijn koffers in de gang zet. ‘Soms… soms maken grote mensen fouten, lieverd,’ fluister ik, maar mijn woorden klinken hol.

Het is een regenachtige donderdagavond in Utrecht. De geur van nat asfalt dringt door het open raam. Mijn vrouw, Marieke, staat met haar armen over elkaar in de keuken. Haar blik is koud, ondoordringbaar. ‘Je hebt je keuze gemaakt, Mark,’ zegt ze zonder op te kijken van haar telefoon. ‘Verwacht niet dat alles hetzelfde blijft.’

De deur valt achter me dicht. Ik hoor Anna’s zachte gehuil, Jelle’s snikken. Mijn benen voelen zwaar als lood als ik naar mijn auto loop. De straatlantaarns werpen lange schaduwen over het natte trottoir. Ik voel me leeg, alsof ik een deel van mezelf achterlaat in dat huis.

De eerste weken na de scheiding probeer ik contact te houden. Ik stuur appjes: ‘Hoe was school vandaag?’ of ‘Zullen we samen naar de bioscoop?’ Maar het blijft stil. Anna leest mijn berichten wel, zie ik aan de blauwe vinkjes, maar antwoordt niet. Jelle heeft geen telefoon; zij is afhankelijk van haar moeder om contact te zoeken. Marieke reageert kortaf: ‘Ze hebben tijd nodig.’

Op een zondagmiddag sta ik voor hun huis met een bos bloemen en een doosje chocolaatjes. Anna doet de deur open, haar gezichtje strak. ‘Mama zegt dat we vandaag geen bezoek willen,’ zegt ze zachtjes. Ik kniel neer, probeer haar hand te pakken, maar ze trekt zich terug. ‘Ga maar weer, papa.’

De weken worden maanden. Mijn appartement in Kanaleneiland voelt kil en onpersoonlijk. De muren zijn kaal; alleen een paar foto’s van de meisjes herinneren me aan wat ooit was. Ik mis hun gelach aan de ontbijttafel, het gekibbel over wie de laatste pannenkoek krijgt.

Op mijn werk bij de gemeente probeer ik me te concentreren op dossiers en vergaderingen, maar mijn gedachten dwalen steeds af naar Anna en Jelle. Mijn collega’s merken het op. ‘Alles goed thuis?’ vraagt Pieter op een dag voorzichtig. Ik knik, lieg: ‘Ja hoor, gewoon druk.’ Maar ’s avonds huil ik in stilte.

Mijn moeder belt vaak. ‘Mark, je moet volhouden,’ zegt ze. ‘Kinderen begrijpen meer dan je denkt. Geef ze tijd.’ Maar wat als tijd juist alles kapotmaakt? Wat als ze me vergeten?

Op een dag krijg ik een uitnodiging voor Anna’s schoolmusical. Mijn hart maakt een sprongetje van hoop. Misschien is dit het moment om weer dichterbij te komen. Ik koop bloemen, trek mijn netste overhemd aan en neem plaats achterin de aula.

Anna staat op het podium, haar haren in een vlecht, haar stem helder als ze zingt. Maar haar ogen zoeken niet naar mij in de zaal. Na afloop probeer ik haar te feliciteren, maar ze draait zich om en loopt naar Marieke toe. Jelle volgt haar voorbeeld.

‘Waarom doe je zo afstandelijk?’ vraag ik zacht als ik Anna even alleen tref bij de garderobe.

Ze kijkt me aan met een mengeling van verdriet en boosheid. ‘Je hebt ons verlaten, papa. Je was er niet toen mama huilde. Je was er niet toen Jelle bang was in het donker.’

‘Ik wilde jullie niet verlaten,’ stamel ik. ‘Soms… soms lopen dingen anders dan je hoopt.’

‘Dat is niet eerlijk,’ fluistert ze en draait zich om.

De woorden blijven als splinters in mijn hart steken.

Thuis staar ik naar hun oude tekeningen aan mijn muur: een regenboog met drie poppetjes – Anna, Jelle en ik – hand in hand onder een blauwe lucht. Nu voelt die lucht grijs en zwaar.

Ik probeer hulp te zoeken bij een mediator. Misschien kan iemand ons helpen praten? Marieke weigert: ‘De meiden willen rust.’

Op een avond belt Jelle onverwacht via Marieke’s telefoon. Haar stem is klein: ‘Papa, mag ik bij jou komen logeren?’ Mijn hart springt op van blijdschap.

We bakken samen pannenkoeken, kijken oude afleveringen van Bassie & Adriaan en bouwen een hut van lakens in de woonkamer. Voor het eerst in maanden voel ik me weer vader.

Maar als Marieke haar komt ophalen, zie ik de twijfel in Jelle’s ogen. ‘Mag dit wel van mama?’ fluistert ze.

‘Natuurlijk mag dat,’ zeg ik geruststellend, maar ik weet dat het niet waar is.

Anna blijft afstandelijk. Ze stuurt af en toe een berichtje: ‘Ik heb proefwerkweek.’ Of: ‘Ik ben druk met hockey.’ Maar echte gesprekken blijven uit.

Op een dag krijg ik een brief van Marieke’s advocaat: verzoek tot beperking van omgangsregeling wegens “emotionele instabiliteit”. Ik voel woede en wanhoop tegelijk opborrelen.

Ik bel Marieke: ‘Waarom doe je dit? Waarom maak je het zo moeilijk?’

Haar stem klinkt vermoeid: ‘Omdat jij degene bent die weg is gegaan, Mark. De meiden moeten beschermd worden tegen teleurstelling.’

‘Maar ze zijn mijn dochters! Ik hou van ze!’

‘Liefde alleen is niet genoeg,’ zegt ze zacht en verbreekt de verbinding.

De maanden slepen zich voort. Op verjaardagen stuur ik kaarten die onbeantwoord blijven. Op vaderdag krijg ik geen knutselwerkje meer, geen slordig getekende hartjes.

Soms zie ik Anna fietsen met haar vriendinnen door de wijk; ze kijkt snel weg als ze mij ziet.

Jelle groeit op; haar stem verandert, haar gezicht wordt volwassener op de foto’s die Marieke soms op Facebook zet. Maar ik ben er niet bij als ze haar zwemdiploma haalt of haar eerste spreekbeurt houdt.

Op een avond zit ik alleen op de bank met een glas wijn en blader door oude fotoalbums. Ik zie mezelf met Anna op mijn schouders tijdens Koningsdag; Jelle die lacht met ijs rond haar mond tijdens een dagje Scheveningen.

Wat heb ik fout gedaan? Had ik harder moeten vechten? Had ik moeten blijven voor hen?

De stilte in huis is oorverdovend.

Soms droom ik dat Anna en Jelle weer naast me zitten aan tafel, dat we samen lachen om flauwe grappen en plannen maken voor de zomervakantie naar Texel.

Maar als ik wakker word, is het huis leeg.

Ik schrijf brieven die ik nooit verstuur:

‘Lieve Anna en Jelle,
Ik mis jullie elke dag…’

Misschien komt er ooit een dag dat ze willen praten, dat we samen kunnen helen wat gebroken is.

Tot die tijd blijf ik hopen – want wat is liefde anders dan blijven hopen?

Hebben kinderen echt het vermogen om hun vader te vergeten? Of blijft er altijd ergens een draadje bestaan dat ons verbindt – hoe dun ook?