Zes maanden in Duitsland: Wanneer thuis niet meer thuis is

‘Hoe kon je dat doen, Marloes?’ Mijn stem trilt, niet van woede, maar van iets wat dieper zit. Wanhoop misschien. Ik sta midden in onze kleine woonkamer in Amersfoort, mijn koffer nog niet eens uitgepakt. De geur van haar parfum hangt in de lucht, vermengd met de muffe geur van een huis waar te weinig gelachen is de laatste tijd.

Ze kijkt me niet aan. Haar handen friemelen aan de rand van haar trui. ‘Je was er niet, David. Alles kwam op mij neer. De kinderen, het huis, de rekeningen…’

‘Maar het spaargeld, Marloes? Zes maanden heb ik in die fabriek in Bremen gewerkt. Zes maanden nachtdiensten, koude ochtenden, eenzaamheid. En nu…’ Mijn stem breekt. Ik zie haar schouders schokken.

‘Ik weet het niet meer,’ fluistert ze. ‘Het leek alsof alles uit elkaar viel. Ik dacht… misschien als ik de keuken zou verbouwen, of die nieuwe bank zou kopen, dat het weer goed zou voelen. Maar het hielp niet.’

Ik zak neer op de bank – de nieuwe bank, realiseer ik me nu bitter – en staar naar mijn handen. Ze zijn ruw geworden van het werk, vol kleine sneetjes en eelt. Ik heb ze altijd als een soort bewijs gezien: kijk, dit is wat ik doe voor ons.

‘En de kinderen?’ vraag ik zacht. ‘Hebben ze iets gemerkt?’

Ze knikt. ‘Sanne vraagt steeds wanneer je weer weggaat. Ze zegt dat ze je liever ziet op FaceTime dan in het echt. En Bram… hij is stiller dan ooit.’

De stilte die volgt is zwaar. Buiten hoor ik een scooter voorbij razen, ergens verderop blaft een hond. Ik probeer me voor te stellen hoe het was toen ik hier nog woonde, voordat alles zo ingewikkeld werd.

‘Weet je nog,’ begin ik aarzelend, ‘hoe we vroeger samen plannen maakten? Hoe we droomden over een huisje aan de rand van de stad, met een tuin voor de kinderen?’

Ze glimlacht flauwtjes. ‘Dat lijkt zo lang geleden.’

‘Misschien is het dat ook,’ zeg ik. ‘Misschien zijn we gewoon… verdwaald.’

Ze kijkt me eindelijk aan. Haar ogen zijn rood van het huilen. ‘Ik ben bang dat ik je kwijt ben, David.’

‘Je bent me niet kwijt,’ zeg ik snel, maar zelfs terwijl ik het zeg, voel ik hoe onzeker het klinkt.

Die nacht slaap ik op de bank. Ik hoor haar zachtjes huilen in de slaapkamer. Mijn gedachten malen: had ik moeten blijven? Had ik een andere oplossing moeten zoeken? Maar wat had ik dan moeten doen? De fabriek in Nederland sloot zijn deuren; werk was er niet meer.

De volgende ochtend zit Sanne aan tafel met haar cornflakes. Ze kijkt nauwelijks op als ik binnenkom.

‘Hoi pap,’ zegt ze zonder enthousiasme.

‘Hoi lieverd,’ probeer ik opgewekt te klinken. ‘Hoe gaat het op school?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Gaat wel.’

Bram komt binnen en pakt zonder iets te zeggen een appel uit de fruitschaal. Ik voel me een indringer in mijn eigen huis.

Na het ontbijt ga ik naar buiten om een frisse neus te halen. De lucht is grijs en zwaar; typisch Nederlands weer. Op het plein zie ik buurvrouw Els haar hond uitlaten.

‘Welkom terug, David!’ roept ze opgewekt.

Ik knik en glimlach flauwtjes. ‘Dank je, Els.’

Ze kijkt me onderzoekend aan. ‘Alles goed thuis?’

Ik twijfel even, maar knik dan weer. ‘Ja hoor, alles goed.’

’s Middags probeer ik met Marloes te praten over geld. Ze ontwijkt mijn blik.

‘We moeten een plan maken,’ zeg ik. ‘We kunnen niet blijven uitgeven wat we niet hebben.’

Ze knikt langzaam. ‘Ik weet het. Maar alles voelt zo… uitzichtloos.’

‘We moeten dit samen doen,’ zeg ik zacht.

De dagen erna probeer ik mijn plek weer te vinden in het gezin. Ik breng Bram naar voetbal, help Sanne met haar huiswerk, kook samen met Marloes – al is het ongemakkelijk stil tussen ons.

Op een avond barst de bom alsnog.

‘Waarom ben je eigenlijk weggegaan?’ roept Marloes ineens tijdens het eten. ‘Dacht je echt dat geld alles zou oplossen?’

Ik kijk haar verbijsterd aan. ‘Ik deed het voor ons! Voor jou, voor de kinderen!’

‘Maar wij wilden jou! Niet je geld!’ Haar stem slaat over.

Sanne begint te huilen en Bram duikt weg achter zijn bord.

‘Misschien had je dat eerder moeten zeggen,’ zeg ik zacht.

Marloes staat op en loopt de kamer uit. De deur slaat dicht.

Die nacht lig ik wakker en staar naar het plafond. Mijn gedachten razen: had ik gefaald als vader? Als man? Of was dit gewoon pech?

De volgende dag belt mijn moeder.

‘Hoe gaat het daar?’ vraagt ze bezorgd.

Ik zucht diep. ‘Niet goed, mam.’

Ze zwijgt even en zegt dan: ‘Soms moet je opnieuw beginnen, jongen. Maar samen.’

Die woorden blijven hangen.

’s Avonds zoek ik Marloes op in de slaapkamer.

‘Misschien moeten we hulp zoeken,’ stel ik voor. ‘Relatietherapie of zoiets.’

Ze kijkt me aan met een mengeling van hoop en wanhoop. ‘Denk je dat dat helpt?’

‘Ik weet het niet,’ geef ik toe. ‘Maar we kunnen het proberen.’

Langzaam knikt ze.

De weken daarna gaan we samen naar een therapeut in Utrecht. Het is zwaar – oude wonden worden opengereten, verwijten vliegen over tafel – maar er komt ook ruimte voor begrip.

Op een dag zegt Marloes: ‘Ik ben bang geweest om alleen te zijn.’

En ik besef: dat was ik ook.

Langzaam vinden we elkaar terug – niet zoals vroeger, maar anders, vol littekens en onzekerheden, maar ook met nieuwe hoop.

Soms vraag ik me af: had het anders gekund? Was er een andere weg geweest? Of hoort dit bij het leven – vallen, opstaan en samen verder gaan?