Mijn Zus Gaf Alles Voor Haar Kinderen, Maar Toen Ze Ziek Werd, Bleef Haar Huis Leeg

‘Waarom komen ze niet, Els?’ Marjolein’s stem trilt terwijl ze haar handen om haar theekop vouwt. Haar ogen, ooit zo levendig, zijn nu dof en omrand met schaduwen. Ik slik, voel de brok in mijn keel. ‘Ik weet het niet, Mar. Misschien hebben ze het druk…’ Mijn woorden klinken hol, zelfs voor mezelf.

Het is een regenachtige donderdagmiddag in Utrecht. Buiten slaan de druppels tegen het raam, binnen hangt een stilte die zwaarder weegt dan ooit tevoren. Marjolein, mijn oudere zus, was altijd de sterke van ons tweeën. Na haar scheiding van Kees, nu alweer vijftien jaar geleden, heeft ze haar drie kinderen – Jeroen, Fleur en Bas – alleen grootgebracht. Ze werkte nachtdiensten in het ziekenhuis, stond op het voetbalveld te juichen en bakte op zondag pannenkoeken voor de hele buurt. Alles draaide om haar kinderen.

Maar nu, nu ze ziek is – uitgezaaide borstkanker – lijkt haar huis leger dan ooit. Ik ben er bijna elke dag. Ik kook, ik ruim op, ik luister naar haar verhalen over vroeger. Maar haar kinderen? Ze komen nauwelijks. Soms een appje: ‘Druk met werk, mam’, of ‘Ik kom volgende week wel even langs’. Maar volgende week wordt steeds weer uitgesteld.

‘Weet je nog die keer dat Jeroen zijn arm brak?’ vraagt Marjolein plotseling. ‘Hij was zo bang voor de dokter. Ik heb hem uren vastgehouden.’ Ze glimlacht flauwtjes. ‘En nu…’ Haar stem breekt.

Ik voel woede opborrelen. Hoe kunnen ze haar zo laten zitten? Ze heeft alles voor hen gedaan! Ik besluit Jeroen te bellen. Mijn vingers trillen terwijl ik zijn nummer intoets.

‘Hoi mam… eh, Els,’ klinkt zijn stem afwezig.
‘Jeroen, je moeder vraagt naar je. Ze heeft je nodig.’
‘Ja, ik weet het. Maar het is zo druk op kantoor… En eerlijk gezegd… het is gewoon moeilijk om haar zo te zien.’

Ik bijt op mijn lip. ‘Ze is nog steeds je moeder.’
‘Ik weet het,’ zegt hij zacht. ‘Maar ik kan het gewoon niet aan.’

Ik hang op en staar naar Marjolein, die me vragend aankijkt. ‘Komt hij?’
Ik schud mijn hoofd.

De dagen verstrijken. Fleur stuurt bloemen met een kaartje: ‘Sterkte mam’. Bas laat helemaal niets van zich horen. Marjolein wordt zwakker. Soms praat ze nauwelijks meer, staart alleen maar naar de foto’s op de kast – vakanties in Zeeland, verjaardagen vol slingers en taart.

Op een avond zit ik naast haar bed als ze fluistert: ‘Heb ik iets verkeerd gedaan, Els? Waarom zijn ze er niet?’

Wat moet ik zeggen? Dat kinderen soms egoïstisch zijn? Dat ze bang zijn voor ziekte en afscheid? Of dat ze gewoon niet weten hoe ze moeten omgaan met hun eigen verdriet?

De spanning in de familie groeit. Op een dag staat Kees ineens voor de deur. Hij komt niet voor Marjolein – hij komt om Jeroen op te halen voor een voetbalwedstrijd van zijn zoon. In de gang botsen we op elkaar.

‘Ze heeft jullie nodig,’ sis ik hem toe.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Ze heeft altijd alles zelf gedaan.’

Die woorden blijven hangen als gif in mijn hoofd.

Op een zondagmiddag besluit ik Fleur te confronteren. Ik bel haar op.
‘Fleur, je moeder vraagt elke dag naar je.’
‘Ik weet het tante Els… maar ik kan het gewoon niet. Het doet te veel pijn om haar zo te zien.’
‘Denk je dat het voor haar minder pijn doet om alleen te zijn?’
Er valt een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

De weken glijden voorbij. Marjolein wordt opgenomen in het hospice. Ik ben er elke dag, houd haar hand vast als ze slaapt, lees haar favoriete boeken voor. De kinderen komen af en toe langs – vluchtige bezoekjes, ongemakkelijke stiltes.

Op een avond zit ik alleen aan haar bed als ze wakker schrikt uit een onrustige slaap.
‘Els… beloof me dat je bij me blijft tot het einde.’
‘Dat beloof ik,’ fluister ik terug.

De laatste dagen zijn zwaar. Marjolein is vaak verward, soms boos of verdrietig. Op een ochtend komt Jeroen binnen – eindelijk – en gaat naast haar zitten. Hij huilt stilletjes terwijl hij haar hand vasthoudt.

‘Sorry mam,’ fluistert hij. ‘Het spijt me zo.’
Marjolein glimlacht zwakjes en veegt een traan van zijn wang.
‘Ik hou van je,’ zegt ze zacht.

Na haar overlijden blijft het huis leeg achter. De kinderen ruimen snel hun spullen op en verdwijnen weer in hun eigen levens. Ik blijf achter met herinneringen – aan onze jeugd in Amersfoort, aan zomers vol gelach en aan de pijn van afscheid nemen.

Soms vraag ik me af: waarom laten mensen die we het meest liefhebben ons soms in de steek als we hen het hardst nodig hebben? En wat betekent familie eigenlijk nog als liefde en zorg niet vanzelfsprekend blijken te zijn?

Wat zouden jullie doen als je zag dat iemand alles gaf voor haar gezin en toch alleen achterbleef? Is er iets wat ik anders had kunnen doen?