Onder één dak, zonder vrijheid: Mijn strijd voor mezelf
‘Waarom ben je zo laat, Marjolein?’ De stem van Bas snijdt door de stilte van onze kleine woonkamer in Amersfoort. Ik sta nog met mijn jas aan, de boodschappentas bungelend aan mijn arm, terwijl de regen van buiten nog op mijn haren druipt. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. ‘De bus had vertraging,’ mompel ik, hopend dat hij het erbij laat.
Maar Bas laat het nooit erbij. ‘Altijd een excuus. Je weet dat ik om zes uur wil eten. Of is dat te veel gevraagd?’ Zijn ogen priemen in de mijne. Ik voel hoe mijn schouders zich automatisch spannen, hoe mijn ademhaling oppervlakkig wordt. ‘Nee, het spijt me,’ zeg ik zacht.
Dit is mijn leven. Elke dag hetzelfde patroon: werken als doktersassistente in het ziekenhuis, boodschappen doen, koken, schoonmaken, alles om Bas tevreden te houden. En elke dag diezelfde angst, diezelfde spanning in huis. Mijn moeder zei altijd: ‘Je hebt een goede man gevonden, Marjolein. Hij zorgt voor je.’ Maar niemand weet wat er achter onze voordeur gebeurt.
Mijn dochtertje, Lotte, zit stilletjes aan de keukentafel met haar kleurpotloden. Ze kijkt niet op als Bas zijn stem verheft. Ze weet beter dan dat. Ik kniel naast haar neer en strijk door haar blonde haren. ‘Gaat het, lieverd?’ fluister ik. Ze knikt, maar haar ogen zijn groot en donker van verdriet.
Die avond lig ik wakker in bed naast Bas, die zwaar ademend slaapt. Mijn gedachten razen. Hoe ben ik hier beland? Vroeger was ik vrolijk, spontaan, vol dromen. Ik wilde reizen, fotograferen, misschien ooit een eigen praktijk beginnen. Maar sinds ik met Bas samen ben, is alles kleiner geworden. Mijn wereld is gekrompen tot deze vier muren.
‘Je moet gewoon wat harder je best doen,’ zei mijn moeder laatst nog aan de telefoon toen ik voorzichtig iets liet doorschemeren over de spanningen thuis. ‘Iedereen heeft wel eens ruzie.’ Maar dit is geen gewone ruzie. Dit is controle: Bas die elke euro die ik verdien opeist, die bepaalt met wie ik omga, die zelfs mijn telefoon checkt.
Op een avond komt mijn broer Jeroen onverwacht langs. ‘Hee zusje,’ zegt hij opgewekt, maar zijn blik wordt snel bezorgd als hij mijn gezicht ziet. ‘Alles goed?’
Bas komt direct tussen ons in staan. ‘We hebben het druk, Jeroen,’ zegt hij koel. ‘Misschien een andere keer.’
Jeroen kijkt me aan, zijn ogen vragen meer dan zijn mond durft te zeggen. Ik voel tranen branden achter mijn ogen, maar ik knik alleen zwijgend.
Later appt Jeroen: ‘Als er iets is, je kunt altijd bij mij terecht.’ Ik staar naar het schermpje en voel een sprankje hoop. Maar durf ik het? Wat als Bas erachter komt?
De weken gaan voorbij en de spanning groeit. Op een avond komt Bas boos thuis omdat er geld van de gezamenlijke rekening is gehaald – geld dat ik nodig had voor nieuwe schoenen voor Lotte. ‘Denk je dat geld aan de bomen groeit?’ schreeuwt hij terwijl hij met zijn vuist op tafel slaat.
Lotte begint te huilen en vlucht naar haar kamer. Ik probeer haar te troosten, maar Bas trekt me ruw terug de woonkamer in. ‘Jij luistert naar mij!’ gilt hij.
Die nacht zit ik urenlang op de rand van Lotte’s bedje terwijl zij eindelijk in slaap huilt. Ik weet dat het zo niet langer kan.
De volgende dag op mijn werk vraagt collega Fatima of alles goed gaat. Ze kijkt me doordringend aan. ‘Je bent zo stil de laatste tijd.’
Ik twijfel even, maar dan breek ik. De woorden stromen eruit: over Bas, over het geld, over de angst. Fatima pakt mijn hand vast. ‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ zegt ze zacht.
Met haar hulp neem ik contact op met een maatschappelijk werker. Het voelt alsof ik iets onherstelbaars doe – alsof ik verraad pleeg aan mijn gezin. Maar tegelijkertijd voel ik voor het eerst in jaren een sprankje kracht.
Thuis probeer ik voorzichtig met Bas te praten over onze situatie. ‘Misschien kunnen we hulp zoeken,’ stel ik voor tijdens het eten.
Bas’ vork klettert op zijn bord. ‘Denk je dat er iets mis is met mij? Jij bent degene die niet genoeg doet! Jij maakt alles kapot!’
Die nacht pakt hij mijn telefoon af en leest al mijn berichten. Als hij het gesprek met Fatima ziet, wordt hij woedend en gooit de telefoon tegen de muur kapot.
Ik weet nu zeker: als ik blijf, raak ik mezelf kwijt – en Lotte ook.
Met bonzend hart pak ik op een ochtend vroeg een tas in voor mij en Lotte terwijl Bas nog slaapt. Mijn handen trillen als ik haar wakker maak. ‘We gaan even bij oom Jeroen logeren,’ fluister ik.
Lotte klampt zich aan me vast terwijl we door de regen naar het station lopen. Mijn hart breekt als ik haar angstige gezichtje zie, maar ik weet dat dit de enige weg is.
Bij Jeroen thuis voel ik me voor het eerst in jaren veilig. Hij slaat zijn armen om me heen en zegt: ‘Je bent zo dapper.’
De weken daarna zijn zwaar: gesprekken met instanties, advocaat zoeken, Lotte die nachtmerries heeft en steeds vraagt wanneer we weer naar huis gaan. Maar langzaam komt er ruimte voor lucht – voor kleine momenten van geluk: samen pannenkoeken bakken met Lotte, wandelen door het park zonder bang te zijn.
Bas blijft dreigen via sms’jes en e-mails: ‘Je maakt ons gezin kapot! Je bent ondankbaar!’ Soms twijfel ik nog steeds – had ik meer moeten proberen? Had ik hem kunnen veranderen?
Maar dan zie ik Lotte lachen op de schommel in het park en weet ik: dit is waarvoor ik vecht.
Nu woon ik samen met Lotte in een klein appartementje in Utrecht. Het is niet makkelijk – geld is krap, de toekomst onzeker – maar elke dag voel ik me iets meer mezelf worden.
Soms kijk ik terug en vraag ik me af: hoe heb ik het zo ver laten komen? Hoeveel vrouwen leven nog steeds onder hetzelfde dak zonder vrijheid?
Misschien is het tijd dat we onze verhalen delen – zodat niemand zich ooit meer zo alleen hoeft te voelen als ik me voelde.