Mijn moeder sleepte me voor de rechter om alimentatie – een brief die mijn leven verscheurde
‘Hoe kun je dit doen, mam? Hoe kun je mij voor de rechter slepen?’ Mijn stem trilde, mijn handen klemden zich om de rand van de keukentafel. Buiten sloeg de regen tegen het raam, alsof het de spanning in huis wilde versterken. Mijn moeder keek me aan met die kille, afstandelijke blik die ik zo goed kende uit mijn jeugd. ‘Je laat me geen keus, Marjolein. Ik heb recht op alimentatie. Je weet hoe moeilijk ik het heb sinds je vader weg is.’
Ik slikte. Mijn keel voelde droog aan, alsof ik zand had gegeten. ‘Maar mam… Ik heb zelf nauwelijks genoeg om rond te komen. Je weet dat ik net mijn baan kwijt ben geraakt.’
Ze haalde haar schouders op, haar mond tot een dunne streep getrokken. ‘Dat is niet mijn probleem. Jij bent mijn dochter. Jij hoort voor mij te zorgen nu ik oud ben.’
Die woorden sneden dieper dan ik wilde toegeven. Mijn moeder had altijd verwacht dat ik haar zou redden, haar zou dragen, haar fouten zou vergeven. Maar nu? Nu voelde het alsof ze me gebruikte als laatste redmiddel, als een bankrekening waar ze recht op had.
De brief lag nog steeds op tafel. De officiële toon, het logo van de rechtbank in Den Haag, de kille formuleringen: “U wordt hierbij verzocht te verschijnen wegens een verzoek tot ouderlijke alimentatie.” Ik had hem drie keer gelezen voordat ik besefte dat het geen vergissing was. Mijn eigen moeder sleepte mij voor de rechter.
Mijn broer, Jeroen, had zich er meteen buiten gehouden. ‘Dit is tussen jullie,’ had hij gezegd aan de telefoon, zijn stem vermoeid en afstandelijk. ‘Ik wil geen partij kiezen.’ Maar hij wist net zo goed als ik dat hij altijd haar lieveling was geweest. Hij hoefde nooit iets te doen; alles kwam altijd op mij neer.
Die nacht lag ik wakker in mijn kleine appartement in Utrecht. De regen tikte nog steeds tegen het raam. Mijn gedachten tolden: herinneringen aan vroeger, aan hoe mijn moeder me als kind al manipuleerde. Hoe ze me liet kiezen tussen haar en papa toen ze uit elkaar gingen. Hoe ze me altijd het gevoel gaf dat ik tekort schoot.
‘Waarom doe je dit?’ vroeg ik haar de volgende dag aan de telefoon. ‘Waarom nu?’
Haar antwoord was simpel: ‘Omdat jij alles hebt wat ik niet heb.’
Alles? Ik woonde in een huurflatje van 45 vierkante meter, werkte tot voor kort als administratief medewerker bij een makelaarskantoor, en probeerde elke maand de eindjes aan elkaar te knopen. Mijn relatie met Bas was net op de klippen gelopen omdat hij vond dat ik te veel met mijn familie bezig was en te weinig met ons.
Toch voelde ik me schuldig. Was het niet mijn plicht om voor haar te zorgen? Ze had me tenslotte opgevoed, eten gegeven, kleren gekocht… Maar tegelijkertijd herinnerde ik me alle keren dat ze me uitschold, me kleineerde, me liet voelen alsof ik niets waard was.
De weken tot de rechtszaak sleepten zich voort als een slecht toneelstuk. Mijn moeder stuurde me appjes met rekeningen: ‘Dit moet ook nog betaald worden.’ ‘Je weet dat ik medicijnen nodig heb.’ ‘Je vader laat niets van zich horen.’
Ik probeerde Jeroen te bellen, maar hij nam niet op. Mijn vrienden begrepen het niet echt: ‘Dat gebeurt toch alleen in films?’ zei Sanne verbaasd toen ik het vertelde tijdens een wandeling door het Wilhelminapark. ‘Nee,’ zei ik zacht, ‘dit gebeurt hier, in Nederland, in míjn leven.’
Op de dag van de zitting regende het weer pijpenstelen. Ik stond met klamme handen voor het gerechtsgebouw in Den Haag. Mijn moeder kwam aanlopen in haar oude regenjas, haar gezicht strak en gesloten.
‘Marjolein,’ zei ze kort, zonder me aan te kijken.
‘Mam,’ antwoordde ik even koel.
Binnen zaten we tegenover elkaar aan een lange tafel. De rechter keek ons streng aan. ‘Mevrouw De Vries senior, u vraagt alimentatie van uw dochter. Kunt u uitleggen waarom?’
Mijn moeder begon te praten over haar slechte gezondheid, haar lage AOW, hoe moeilijk het was om rond te komen sinds papa naar Spanje was verhuisd met zijn nieuwe vriendin. Ze schilderde zichzelf af als slachtoffer, als iemand die altijd voor anderen had gezorgd en nu zelf hulp nodig had.
Toen was ik aan de beurt. Mijn stem trilde toen ik vertelde over mijn baanverlies, mijn financiële problemen, hoe ik altijd geprobeerd had haar te helpen maar dat het nooit genoeg was geweest.
‘Het voelt alsof u mij straft omdat papa weg is,’ zei ik uiteindelijk zacht.
Mijn moeder keek op, haar ogen glinsterden even – van woede of verdriet, ik wist het niet.
De rechter stelde vragen over onze relatie, over geld, over familiebanden. Het voelde alsof mijn hele leven onder een vergrootglas lag.
Na afloop liep ik naar buiten zonder nog naar mijn moeder om te kijken. De regen voelde koud op mijn gezicht.
Thuis wachtte een appje van Jeroen: ‘Sorry dat ik er niet was. Ik kan dit gewoon niet aan.’
Ik barstte in tranen uit. Niet alleen om het geld of de rechtszaak, maar om alles wat verloren was gegaan: vertrouwen, liefde, familie.
De uitspraak kwam twee weken later: ik moest een klein bedrag per maand betalen – minder dan mijn moeder had gevraagd, maar toch genoeg om me elke maand weer te herinneren aan wat er gebeurd was.
Soms denk ik terug aan die avond waarop de brief kwam. Had ik anders kunnen reageren? Had ik meer moeten geven? Of juist minder?
‘Is familie iets waar je altijd voor moet blijven vechten – zelfs als het je kapotmaakt?’ vraag ik mezelf soms af als ik ’s avonds alleen op de bank zit. Wat zouden jullie doen als je eigen moeder je voor de rechter sleept?