Mijn huis, mijn waardigheid: Een Nederlandse vrouw vecht voor haar plek

‘Waarom staat die vaas weer op tafel, Ria? Ik had hem net op de vensterbank gezet.’ Mijn stem trilt, maar ik probeer kalm te blijven. Ria kijkt me nauwelijks aan terwijl ze haar handen afdroogt aan mijn theedoek. ‘Het staat mooier zo, Lieke. Je moet leren loslaten. Je hebt het zo druk met je werk, ik help alleen maar.’

Ik voel hoe mijn kaken zich spannen. Het is niet de eerste keer dat ze zomaar dingen verplaatst in mijn huis. Mijn huis… Het klinkt bijna vreemd in mijn hoofd. Sinds Ria hier drie maanden geleden introk – tijdelijk, zei Bas – is niets meer van mij. Mijn favoriete mokken staan achterin de kast, de foto’s van mijn ouders zijn vervangen door haar Delfts blauwe bordjes en zelfs de geur van haar zware parfum hangt in de gordijnen.

‘Bas, kun je alsjeblieft even komen?’ roep ik naar boven. Mijn man komt langzaam de trap af, zijn blik vermijdend. ‘Wat is er nu weer?’ vraagt hij vermoeid.

‘Ik wil gewoon dat sommige dingen blijven zoals ik ze wil,’ zeg ik zacht. ‘Dit is ons huis.’

Ria zucht overdreven hard. ‘Ach kind, je moet niet zo moeilijk doen. Ik ben hier toch maar tijdelijk.’

Bas kijkt van mij naar zijn moeder en haalt zijn schouders op. ‘Kunnen jullie niet gewoon een beetje rekening met elkaar houden?’

Die avond lig ik wakker naast Bas. Zijn ademhaling is diep en gelijkmatig; hij slaapt al. Ik staar naar het plafond en voel me leeg. Hoe ben ik hier beland? Ik was altijd zo trots op ons huisje in Utrecht, onze plek vol herinneringen. Nu voelt het alsof ik op bezoek ben in mijn eigen leven.

De volgende ochtend hoor ik Ria al vroeg rommelen in de keuken. De geur van gebakken spek vult het huis – iets wat ik nooit maak omdat Bas vegetariër is. Ik loop naar beneden en zie hoe ze met een glimlach een bord voor hem neerzet.

‘Mam, ik eet geen vlees meer,’ zegt Bas voorzichtig.

‘Ach jongen, je was altijd zo mager zonder een beetje spek,’ lacht Ria.

Ik zie hoe Bas zwijgt en toch een hap neemt. Mijn maag draait zich om.

Op mijn werk kan ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega Sanne merkt het meteen. ‘Gaat het wel?’ vraagt ze tijdens de lunchpauze.

Ik knik, maar de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het voelt alsof ik alles kwijt ben,’ fluister ik.

Sanne legt haar hand op mijn arm. ‘Je moet voor jezelf opkomen, Lieke. Dit is jouw huis.’

Die avond probeer ik met Bas te praten. ‘Ik voel me niet meer thuis,’ zeg ik zacht terwijl we samen afwassen.

Hij zucht diep. ‘Ze heeft het moeilijk sinds papa dood is. Kun je niet gewoon even doorbijten?’

‘Maar wanneer is het genoeg? Ze verandert alles! Zelfs jij…’

Bas kijkt me aan, zijn ogen moe en verdrietig. ‘Ik weet het niet meer, Lieke.’

De dagen worden weken. Ria’s aanwezigheid drukt als een zware deken op alles wat ooit licht was tussen Bas en mij. We praten nauwelijks nog; zelfs kleine dingen als boodschappen doen worden discussies.

Op een zaterdagmiddag vind ik Ria in onze slaapkamer, mijn sieradendoosje open op bed.

‘Wat doe je?’ vraag ik scherp.

Ze schrikt zichtbaar. ‘Ik zocht alleen een speldje voor mijn haar.’

‘Dit zijn mijn spullen,’ zeg ik met trillende stem.

Ze kijkt me aan, haar blik koel. ‘Je hoeft niet zo hysterisch te doen.’

Die avond barst ik in tranen uit bij Sanne thuis. ‘Ik weet niet meer wie ik ben,’ snik ik.

Sanne knuffelt me stevig. ‘Je moet kiezen voor jezelf, Lieke. Anders raak je alles kwijt.’

De volgende ochtend besluit ik dat het genoeg is geweest. Mijn handen trillen als ik naar beneden loop.

‘Ria, mag ik je even spreken?’

Ze kijkt op van haar krant, verrast door mijn vastberaden toon.

‘Ik waardeer dat je hier bent geweest na het overlijden van papa,’ begin ik, ‘maar dit is mijn huis. Ik wil dat je binnen twee weken iets anders zoekt.’

Ria’s gezicht vertrekt van woede en ongeloof. ‘Dat kun je niet maken! Bas zal dit nooit goedvinden!’

Ik slik, maar blijf staan. ‘Dit is niet alleen aan Bas. Dit is ook mijn leven.’

Bas komt binnen en ziet onze gespannen gezichten. ‘Wat gebeurt hier?’

‘Ik heb Ria gevraagd om te vertrekken,’ zeg ik rustig.

Bas kijkt me aan alsof hij me voor het eerst ziet. ‘Lieke…’

‘Ik kan niet meer zo leven,’ zeg ik zacht.

Er volgt een week vol ruzies en verwijten. Bas verwijt me egoïsme; Ria noemt me ondankbaar en kil. Maar voor het eerst voel ik ook iets anders: opluchting.

Op de dag dat Ria vertrekt, staat ze met haar koffers in de gang. Ze kijkt me niet aan als ze afscheid neemt van Bas.

‘Je zult nog spijt krijgen,’ sist ze terwijl ze de deur achter zich dichttrekt.

Bas zegt niets; hij staart uit het raam terwijl haar taxi wegrijdt.

De stilte die volgt is oorverdovend. Dagenlang praten we nauwelijks met elkaar. Ik ruim langzaam alle sporen van Ria op: haar parfum uit de gordijnen, haar bordjes uit de kast.

Op een avond zit Bas naast me op de bank.

‘Misschien heb ik je te weinig gesteund,’ zegt hij zacht.

Ik knik alleen maar; woorden schieten tekort.

Het duurt maanden voordat we elkaar weer echt vinden. Soms vraag ik me af of we ooit helemaal herstellen van wat er gebeurd is.

Maar als ik ’s ochtends wakker word in mijn eigen bed, met het zonlicht dat door de gordijnen valt zoals vroeger, voel ik iets terugkomen wat ik lang kwijt was: mezelf.

Was het egoïstisch om voor mezelf te kiezen? Of is dat juist wat liefde betekent – ook voor jezelf durven vechten? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen harmonie en je eigen waardigheid?