Na de bruiloft ontdekte ik dat mijn man alleen naar zijn moeder luistert. Heb ik echt al die jaren van mijn leven verspild?

‘Waarom moet je altijd alles met je moeder overleggen, Peter?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer vastberaden te klinken. Het is zaterdagavond, de geur van stamppot hangt nog in de keuken en de afwas staat onaangeroerd op het aanrecht. Peter kijkt me aan alsof ik iets onredelijks vraag. ‘Ze heeft gewoon veel meer ervaring dan wij, Sanne. Waarom zou ik haar advies niet vragen?’

Ik voel hoe mijn hartslag versnelt. We zijn pas drie maanden getrouwd, maar het voelt alsof ik al jaren in deze discussie gevangen zit. Sinds onze bruiloft lijkt alles om zijn moeder, mevrouw Van Dijk, te draaien. Zij bepaalt waar we op vakantie gaan, hoe we het huis inrichten, zelfs wat we eten op zondag. Mijn stem klinkt steeds zachter in ons huis aan de rand van Utrecht.

De eerste keer dat ik het merkte, was toen we onze slaapkamer wilden schilderen. ‘Wat vind jij van lichtblauw?’ vroeg ik hoopvol. Peter glimlachte en zei: ‘Ik zal het even aan mam vragen.’ Ik lachte nog, dacht dat het een grapje was. Maar toen kwam hij terug met een staalkaart die zijn moeder had uitgezocht: beige. ‘Mam zegt dat beige rustgevend is,’ zei hij. En zo werd onze slaapkamer beige.

Mijn moeder, Marijke, merkte het ook op tijdens haar bezoek. Ze keek me aan met die blik die alleen moeders hebben – bezorgd, maar niet bemoeizuchtig. ‘Gaat het wel goed met je, Sanne?’ vroeg ze zachtjes terwijl ze haar hand op mijn arm legde. Ik knikte, maar voelde de tranen prikken achter mijn ogen.

De weken gingen voorbij en het werd steeds erger. Peter en zijn moeder belden elke dag. Soms hoorde ik hem lachen in de woonkamer terwijl ik in de keuken stond te koken. ‘Mam zegt dat je de aardappels niet zo moet snijden,’ riep hij een keer naar me toe. Ik liet het mes vallen en staarde naar mijn handen. Was dit nu mijn leven?

Op een avond zat ik met Peter op de bank. Ik probeerde voorzichtig te zijn, niet te veel te klagen. ‘Peter, denk je niet dat we sommige dingen ook samen kunnen beslissen? Zonder altijd je moeder erbij te betrekken?’ Hij zuchtte diep en keek weg. ‘Je weet dat mam het beste met ons voor heeft. Ze heeft alles al meegemaakt.’

Ik voelde me steeds kleiner worden. Mijn vriendinnen vroegen waarom ik zo weinig lachte de laatste tijd. ‘Je straalt niet meer,’ zei Anouk tijdens onze lunch in het park. Ik haalde mijn schouders op en probeerde het weg te lachen.

Het dieptepunt kwam toen we een huis wilden kopen in Amersfoort. Ik had een prachtig huis gevonden met een grote tuin en veel licht. Peter vond het ook mooi, tot zijn moeder langskwam voor de bezichtiging. Ze trok haar neus op en zei: ‘Veel te ver van Utrecht, Peter. Je weet dat je vader en ik jullie graag dichtbij willen houden.’

Die avond zei Peter: ‘Mam heeft gelijk, Sanne. We moeten iets dichterbij zoeken.’ Ik voelde iets in mij breken. Mijn droomhuis verdween als sneeuw voor de zon.

Ik probeerde met Peter te praten, maar elke keer als ik begon over onze toekomst samen, kwam zijn moeder ter sprake. Zelfs toen ik voorstelde om samen op vakantie te gaan naar Italië – iets waar we allebei altijd van droomden – zei hij: ‘Mam vindt Italië niks aan, ze zegt dat Frankrijk veel gezelliger is.’

Op een dag stond ik in de supermarkt en zag ik mevrouw Van Dijk bij de groenteafdeling staan. Ze glimlachte vriendelijk naar me, maar haar ogen waren koud. ‘Je moet Peter niet zo onder druk zetten, Sanne,’ fluisterde ze terwijl ze een komkommer pakte. ‘Hij heeft altijd al moeite gehad met keuzes maken.’

Ik voelde me vernederd en machteloos. Thuis barstte ik in tranen uit. Mijn moeder belde precies op dat moment en hoorde meteen dat er iets mis was. ‘Kom vanavond bij ons eten,’ zei ze beslist.

Aan tafel bij mijn ouders voelde ik me weer even mezelf. Mijn vader schonk wijn in en vroeg hoe het ging op mijn werk. Mijn moeder luisterde aandachtig terwijl ik vertelde over de situatie met Peter en zijn moeder.

‘Je moet voor jezelf opkomen, Sanne,’ zei mijn vader zachtjes. ‘Je bent geen kind meer.’

Die nacht lag ik wakker naast Peter, die rustig sliep alsof er niets aan de hand was. Ik dacht aan alle momenten waarop ik mezelf had weggecijferd voor hem en zijn moeder. Was dit wat liefde betekende? Jezelf verliezen om iemand anders gelukkig te maken?

De volgende ochtend besloot ik dat het genoeg was geweest. Tijdens het ontbijt keek ik Peter recht aan. ‘Peter, we moeten praten.’ Hij keek op van zijn telefoon.

‘Ik kan zo niet verder,’ zei ik met trillende stem. ‘Ik voel me niet gehoord in dit huwelijk. Alles draait om jouw moeder en haar mening.’

Peter fronste zijn wenkbrauwen. ‘Dat is niet waar! Jij mag ook dingen zeggen.’

‘Maar je luistert niet,’ fluisterde ik.

Er viel een pijnlijke stilte.

‘Misschien moet je dan maar bij je moeder gaan wonen als zij toch alles beter weet,’ zei ik uiteindelijk, wanhopig.

Peter stond op en liep zonder iets te zeggen naar buiten.

De dagen daarna waren koud en stil in huis. We spraken nauwelijks met elkaar. Ik voelde me schuldig, maar ook opgelucht dat ik eindelijk iets had gezegd.

Op een avond kwam Peter thuis met rode ogen. ‘Mam zegt dat we moeten praten,’ zei hij zachtjes.

‘Wil jij praten of wil je dat omdat je moeder het zegt?’ vroeg ik scherp.

Hij zweeg.

Ik besloot tijdelijk bij mijn ouders te gaan wonen om na te denken over wat ik wilde. De eerste nacht in mijn oude kamer voelde als thuiskomen én falen tegelijk.

Mijn moeder kwam naast me zitten op bed en streek door mijn haar zoals vroeger.

‘Soms moet je jezelf eerst verliezen om jezelf terug te vinden,’ fluisterde ze.

De weken verstreken en Peter stuurde af en toe een berichtje: ‘Hoe gaat het?’ of ‘Mam vraagt hoe het met je is.’ Nooit: ‘Ik mis je’ of ‘Wat wil jij?’

Langzaam begon ik mezelf terug te vinden – in kleine dingen zoals wandelen langs de Vecht of koffie drinken met Anouk zonder haast of schuldgevoel.

Na twee maanden vroeg Peter of we konden praten – zonder zijn moeder erbij.

We zaten samen aan de keukentafel bij mijn ouders thuis.

‘Ik weet niet hoe dit verder moet,’ zei hij zachtjes.

‘Ik ook niet,’ antwoordde ik eerlijk.

‘Misschien moeten we allebei leren om los te laten,’ fluisterde hij.

We huilden allebei – om wat we hadden verloren, maar misschien ook om wat we eindelijk durfden toe te geven: dat liefde niet betekent dat je jezelf moet vergeten.

Soms vraag ik me af: hoeveel jaren van mijn leven heb ik opgeofferd aan stilte? En is het ooit te laat om opnieuw te beginnen?